Er waait tegenwoordig heel wat stof rond het ontslag van een leerkracht wegens het dragen van een islamitische hoofddoek, of hijab, in de klas. Daarbij valt iets belangrijks te noteren: de persoon in kwestie droeg de hoofddoek al vóór de invoering van het verbod, op het moment van haar aanwerving, en deed dat met toestemming van haar directie.
Dat gegeven mag niet zomaar worden weggewuifd. In vertrouwen gemaakte afspraken tussen werkgever en werknemer kunnen niet zonder meer achteraf worden ingetrokken. Dat lijkt mij op zijn minst problematisch vanuit het oogpunt van behoorlijk werkgeverschap en ondermijnt het vertrouwen dat noodzakelijk is voor een goede werkrelatie. Ook in een arbeidsrelatie bestaan er immers afspraken en gewekte verwachtingen die niet zomaar door een nieuwe regel ongedaan kunnen worden gemaakt.
Maar voor mij ligt het belangrijkste probleem elders.
Ik ben namelijk niet overtuigd door het argument dat een verbod op hoofddoeken bij leerkrachten noodzakelijk zou zijn, enkel omwille van de neutraliteit. Geen enkele leerkracht is honderd procent neutraal. Mensen hebben overtuigingen, waarden, culturele achtergronden en wereldbeelden. Zelfs scholen en onderwijsnetten zijn niet neutraal en verdedigen soms op militante wijze ideologieën. Ik denk dan aan de gender ideologie, het liberalisme, het progressivisme of de klimaat ideologie. Een verbod op religieuze symbolen omwille van “neutraliteit” vind ik daarom een simplistisch antwoord op een veel ingewikkelder probleem. Inpopulaire religieuze overtuigingen verdwijnen niet zomaar omdat men ze uit het openbare leven probeert weg te houden.
Bovendien lijkt het mij weinig zinvol om neutraliteit te verwarren met het volledig verwijderen van religieuze expressie uit de publieke ruimte. Met een dergelijke reflex kan men makkelijk ook de eigen religieuze en culturele tradities gaan verarmen, zodat er ook voor ons eigen Christelijke geloof nog weinig gevoeligheid overblijft. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het wegnemen van kruisen, kerststalletjes of het vervangen van de term “kerstmarkt” door “wintermarkt”.
Ook zogenaamde “zeloten” van de multicultuur, die de hijab graag wegredeneren als een eenvoudig “stukje stof”, zijn blind voor de boodschap die dit kledingstuk kan uitdragen. De hijab is namelijk geen gewone sjaal die men zonder meer in de vestiaire van een school of bedrijf achterlaat. Wie dat beweert, doet eigenlijk geen recht aan de betekenis die het kledingstuk voor veel draagsters zelf heeft.
De hijab is verbonden met islamitische voorschriften rond vrouwelijke kuisheid. In bepaalde interpretaties maakt hij deel uit van een veel ruimer systeem waarin de verhouding tussen mannen en vrouwen, seksualiteit en sociale omgang worden gereguleerd. Dat is geen onbelangrijk detail.
Wanneer een religieuze norm specifiek voorschrijft dat het vrouwelijke lichaam uitgebreider moet worden bedekt dan het mannelijke lichaam, is het volkomen legitiem om zich af te vragen welke opvatting over vrouwen en mannen daarachter zit. Waarom wordt vrouwelijke kuisheid zo sterk met extreme lichamelijke bedekking verbonden? En waarom gelden dergelijke voorschriften in bepaalde interpretaties veel nadrukkelijker voor vrouwen dan voor mannen?
Dat betekent niet dat iedere vrouw die een hijab draagt noodzakelijk dezelfde ideologische overtuigingen heeft. Een individuele draagster kan de hijab op haar eigen manier beleven en hem bijvoorbeeld vooral als een uitdrukking van haar persoonlijke geloof beschouwen. Toch is het belangrijk om kritisch te blijven, omdat een bredere aanvaarding en normalisering van bepaalde religieuze kledingvoorschriften wel degelijk een invloed kan hebben op de maatschappelijke opvattingen over de positie van vrouwen, zowel op vrouwen die moslima zijn als op vrouwen die dat niet zijn.
De merkwaardige logica van de vrije keuze
Daarmee komen we bij het argument dat wellicht het meest wordt gebruikt: maar zij kiest er toch zelf voor?
Natuurlijk kan zij ervoor kiezen. Maar de vrijheid om iets te kiezen betekent niet dat de samenleving vervolgens niet meer mag onderzoeken wat er precies gekozen wordt.
Wanneer een vrouw ervoor kiest haar haar en lichaam te bedekken omdat zij ervan overtuigd is dat dit vanuit religieus oogpunt van haar wordt verlangd, is het perfect legitiem om de achterliggende norm te bevragen. Waarom ligt de religieuze verplichting bij de vrouw en niet in dezelfde mate bij de man? Waarom is vrouwelijke kuisheid zo sterk verbonden met uitgebreide lichamelijke bedekking? Waarom wordt de seksualiteit van vrouwen in bepaalde religieuze systemen sterker gereguleerd dan die van mannen?
Een samenleving die “vrije keuze” als argument gebruikt en deze vragen vervolgens niet meer stelt, maakt van vrijheid een merkwaardige zaak. Dan wordt de individuele keuze onaantastbaar, terwijl de ideeën achter die keuze uit het debat verdwijnen.
Dat kan nooit de bedoeling zijn van een vrije samenleving.
Vrijheid betekent immers niet dat een keuze buiten iedere kritiek moet worden geplaatst. Men kan het recht van een vrouw verdedigen om een hijab te dragen en tegelijkertijd kritisch staan tegenover de religieuze of maatschappelijke normen die aan die keuze ten grondslag liggen.
Een identitair symbool?
Ook de voorstelling van de hijab als een vanzelfsprekend “identitair symbool” verdient daarom meer kritische aandacht.
De islam is voor de volkeren van het Midden-Oosten en Noord-Afrika immers geen tijdloze, onveranderlijke identiteit. De islamitische expansie vanaf de zevende eeuw verliep voor een belangrijk deel via militaire verovering. De verhouding tussen islam en politieke macht vormt dus geen onbelangrijk aspect van dit debat. Dit geldt niet alleen historisch, maar ook voor de hedendaagse islamitische wereld, waarin bewegingen met theocratische ambities erin geslaagd zijn religieuze voorschriften geheel of gedeeltelijk in het staatsrecht te verankeren.
Het is daarom intellectueel oneerlijk om in het debat rond de hijab uitsluitend het aspect van persoonlijke zelfbeschikking te laten spelen, zonder rekening te houden met de bredere religieuze en politieke context.
Laten we daarbij ook niet uit het oog verliezen dat, indien de hijab uitsluitend een persoonlijke keuze zou zijn en geen bredere religieuze of maatschappelijke betekenis zou hebben, het moeilijker te verklaren valt waarom bepaalde theocratische regimes zoveel belang hechten aan het verplichten ervan. De Iraanse en Afghaanse voorbeelden maken duidelijk dat kledingvoorschriften voor vrouwen in bepaalde islamistische systemen niet als een vrijblijvende persoonlijke keuze worden beschouwd, maar als onderdeel van een gewenste maatschappelijke orde.
Precies daar wordt het onderscheid tussen religieuze vrijheid en religieuze dwang van fundamenteel belang.
Debat in plaats van “politiek correct” verbod
Ik ben dus niet voor een verbod op hoofddoeken op basis van oppervlakkige en “politiek correcte” argumenten, zoals een behoefte aan neutraliteit. Een leerkracht hoeft geen ideologisch blanco blad te zijn, en een samenleving wordt niet noodzakelijk neutraler wanneer zij alle zichtbare religieuze expressie uit het openbare leven probeert te verwijderen.
Ik ben wél voor een veel grondiger debat over de hijab en de ideeën, die ermee verbonden kunnen zijn, met als bedoeling een breder draagvlak te creëren om de hoofddoek vrijwillig af te zetten. Een religie of kuisheidsprincipe, dat afhangt van een stukje stof, lijkt me trouwens flinterdun.
Dit debat zou nadrukkelijk ook over vrouwenrechten en religieuze dwang moeten gaan. Het moet de theocratische ambities van bepaalde islamistische bewegingen, ook in Europa, onder ogen durven zien. Daarbij moet uiteraard een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen islam, islamitische culturele identiteit en islamisme. Niet iedere moslim is een islamist, en niet iedere hijab is een politiek manifest. Maar dit mag evenmin een excuus worden om weg te kijken van reële problemen binnen delen van de islamitische wereld, waar religie, culturele identiteit en politieke ideologie soms sterk met elkaar verweven zijn.
Vooraleer men hoofddoeken gaat verbieden, lijkt het mij daarom urgenter om de onderliggende ideeën en politieke bewegingen kritisch te onderzoeken. Niet om moslims als groep te veroordelen, maar om dezelfde kritische maatstaven toe te passen op de islam en het islamisme als op iedere andere ideologie.
Want de echte vraag is uiteindelijk niet alleen of iemand vrij is om een keuze te maken, maar ook welke maatschappelijke orde wij verdedigen wanneer religieuze voorschriften niet langer alleen het individu bepalen, maar ook aanspraak beginnen te maken op de inrichting van de samenleving als geheel. Willen wij evolueren naar een maatschappij waarin islamitische normen een steeds grotere rol gaan spelen? Willen wij dat onze kinderen en kleinkinderen steeds meer verplicht worden met deze normen rekening te houden, vooral in onze steden? Dat is precies de vraag die we ons moeten stellen.
In grote mate ben ik het met u eens, Katharina.
Toch een kleine (wat uit de hand gelopen) bedenking bij het volgende:
” … De islamitische expansie vanaf de zevende eeuw verliep voor een belangrijk deel via militaire verovering. De verhouding tussen islam en politieke macht vormt dus geen onbelangrijk aspect van dit debat. Dit geldt niet alleen historisch, maar ook voor de hedendaagse islamitische wereld,… ”
Hoewel het christendom begon als een vreedzame minderheidsreligie binnen het Romeinse Rijk, veranderde dit drastisch nadat het in de vierde eeuw de staatsreligie werd. Vanaf dat moment werd religieus vuur regelmatig ingezet om geopolitieke expansie te rechtvaardigen. De belangrijkste en bekendste historische voorbeelden van veroveringen in de naam van het christendom zijn in te delen in een aantal grote historische periodes.
1. De Kruistochten (11e tot 13e eeuw) Dit zijn de meest expliciete voorbeelden van militaire campagnes die rechtstreeks door de kerk (met name de paus) werden geïnitieerd en gezegend onder het mom van het geloof. Vanaf 1095 riep paus Urbanus II op tot de Eerste Kruistocht om Jeruzalem en andere heilige plaatsen te ‘bevrijden’ van de islamitische heerschappij. Dit leidde tot de stichting van de Kruisvaardersstaten in de Levant. Duitse ridderorden (zoals de Teutoonse Orde) veroverden en kerstenden met geweld de heidense gebieden rondom de Oostzee, waaronder het huidige Balticum en delen van Polen.
2. De kolonisatie van de ‘Nieuwe Wereld’ vanaf de 15e eeuw. Tijdens de Europese expansie in de Amerika’s, Afrika en Azië liepen geopolitieke macht en religieuze missie hand in hand. Conquistadores veroverden de rijken van de Azteken en Inca’s. De paus gaf de Spaanse en Portugese koningen expliciet het recht (en de plicht) om nieuwe gebieden te claimen, mits zij de inheemse bevolking tot het christendom zouden bekeren. Dit ging vaak gepaard met brute dwang, vernietiging van lokale cultuurgoederen en het uitwissen van inheemse religies.
3. Later in de geschiedenis rechtvaardigden Amerikaanse kolonisten hun expansie naar het westen deels met de religieus getinte overtuiging dat het hun door God gegeven recht en plicht was om het continent te beschaven en te christenen.
Historici benadrukken vaak dat religie in al deze gevallen zelden de enige motivatie was. Economische winst, landhonger, politieke macht en demografische druk speelden een minstens zo grote rol. Maar het christelijke geloof fungeerde in deze periodes als de ultieme morele rechtvaardiging om oorlog en verovering legitiem te maken in de ogen van de tijdgenoten.
“Historici benadrukken vaak dat religie in al deze gevallen zelden de enige motivatie was.”
Alleen al over die historici zelf kan men een boek schrijven.
Want zeer veel vrijmetselaars hadden zich al in vroege tijden laten dopen zonder werkelijk in God te geloven laat staan op God te vertrouwen. Zo krijg je bijvoorbeeld een volk van Katharen dat de zuivere cultuur grondig onderuit haalt.
Maar ook binnen de traditie van de Kerk konden infiltrerenden altijd onopvallend wortel schieten.
Had de Kerk niet beter gehandeld hen te verbieden alleen in naam “Christen” te worden, dus verbod zich te laten dopen indien men afstamt van vrijmetselaars (voor-) ouders of zelfs sympathie voor hen koester? Ik ken persoonlijk enkele gevallen in mijn familie en ik herkende het ook in het klein seminarie in Sint Truiden in 1962. Maar de vrijheid moet gegarandeerd blijven en zo kregen verraders vrije toegang tot Katholieke functies. Met vreselijke gevolgen.
In Psalm 68:18 zegt koning David aan de Heer: Gij hebt de hoogte beklommen, De gevangenen meegevoerd, Van de mensen geschenken aanvaard, Van weerspannigen zelfs, voor de woonplaats van God!
En nu laten zij zich gelden als betweters die zeer hard werken om het Christendom onderuit te halen.
Sluipend terrorisme tot zelfs op de “bergen” (heuvels en bergen zijn de diverse machten).
Psalm 68 van koning David: (Petrus Canisius 1939)
11. Toen heeft de Heer zijn belofte vervuld, En een leger van vrouwen kwam het blijde verkonden:
12. Machtige koningen slaan met haast op de vlucht, En het schone geslacht verdeelt de buit!
13. Nu moogt gij gaan rusten in uw beemden: Zilverwit als de vleugels der duif, met goud overtrokken;
14. Want de Almachtige heeft de koningen verstrooid, Zoals het sneeuwt op de Salmon!
15. Bergen van Basjan, godengebergte met uw spitsen:
16. Bergen en toppen, waarom kijkt gij scheel naar de berg, die God tot woonplaats verkoos, En waar Jahweh eeuwig zal wonen?
17. Op de wagens van God: tienduizenden, duizend maal duizend, Trokt Gij van de Sinaï uw heiligdom binnen, o Heer;
18. Gij hebt de hoogte beklommen, De gevangenen meegevoerd, Van de mensen geschenken aanvaard, Van weerspannigen zelfs, voor de woonplaats van God!
— Nota: die “weerspanningen” zijn dat niet de huidige terroristen die onbeperkt beschikken over wapens, ook media-wapens, betaald door het onwetend volk. —
19. Geloofd zij de Heer, die ons altijd beschermt, de God van ons heil;
20. Gij, die ons redt; Jahweh, die nog uitwegen kent van de dood;
21. God, die de kop van zijn vijand verplettert, De harde schedel van hem, die in ongerechtigheid leeft!
Laat de weerspannigen maar doen, zij nemen die vrijheid.
Maar zij zullen loon krijgen naargelang hun daden.
Want de hemelse Berg Sion, in de Geestelijke Wereld, is onaantastbaar.
Niets nieuws onder de zon.
Katharina Gabriels: “Waarom is vrouwelijke kuisheid zo sterk verbonden met uitgebreide lichamelijke bedekking?”
Gezien een gelijkaardig puritanisme intrede vindt bij Amerikaanse christenen, toch even een verduidelijking over dit onderwerp.
Het idee dat het menselijk lichamelijk figuur een obsceen object is dat moet bedekt worden op straffe van zonde, sterk aanwezig bij islamieten, komt niet overeen met de christelijke begrippen over de mens en de moraaltheologie. Dat idee vond in West-Europa pas een grote aanhang vanaf de Renaissance en was er virtueel afwezig voor die tijd. Velen denken dat het andersom is, maar neen, vanaf de Renaissance verdwenen de publieke baden en gradueel zag men moraaltheologen lichaamsbedekking opleggen alsof het een moreel voorschrift was.
Oorspronkelijk waren catechumenen volledig naakt bij de liturgie voor het ontvangen van het heilig doopsel (Hippolytus en Johannes Chrysostomus vermelden dit); men werd compleet ongekleed gedoopt via volledige onderdompeling in het water, wat de dood van de oude Adam en de geestelijke hergeboorte verzinnebeelde. Eeuwenlang werd het doopsel zo ontvangen, en Hlodowig van de Franken werd ook nog zo gedoopt (in oude afbeeldingen stond het gebeuren nog zo afgebeeld). In de Middeleeuwen werd de volledige onderdompeling vervangen door het gieten van het water over het hoofd, waarbij de naaktheid dan wegviel; waarschijnlijk deed men dit omdat toen de meeste dopelingen pasgeboren kinderen waren en volledige onderdompeling daarom met veiligheidsrisico’s samengaand geacht werd.
Gezien de lichamelijke vorm door de christelijke religie niet obsceen geacht werd in het kader van de heilige liturgie kan dat ook niet het geval zijn buiten liturgische context, en de discussie die gehoord wordt bij christenen in Amerika over de lengte van mouwen en rokken is dus onnodig. Het Christendom legt aan mannen persoonlijke verantwoordelijkheid voor zelfcontrole en zelfdiscipline op, en niet een gebod om vrouwen in zakken te steken.
De obsessie met klederdracht gaat soms zover dat men het bijna een zonde acht om geen kostuum en das te dragen wanneer men naar de kerk gaat; persoonlijk noem ik dat fenomeen Angelsaksisch kostumekes-traditionalisme.
Sint Paulus zei het volgende over klederdracht voor vrouwen:
“Similiter et mulieres in habitu ornato, cum verecundia et sobrietate ornantes se, et non in tortis crinibus, aut auro, aut margaritis, vel veste pretiosa: sed quod decet mulieres, promittentes pietatem per opera bona.” (I Timotheum 2, 9-10)
Dat is niet ingewikkeld; de christelijke vrouw tooide zich met soberheid en goede werken in plaats van met ingewikkelde kapsels en excessieve vertoning van juwelen en kostbare stoffen. In die tijd waren er Romeinse matronen die hun rijkdom en status graag ten toon spreidden door wat ze droegen, en dat was geen passend gedrag voor christelijke vrouwen. Over de lengte van mouwen en het bedekken van knieën wordt daar niets gezegd.
Ik acht de pornografische mentaliteit en het puritanisme omtrent klederdracht als twee zijden van dezelfde munt; beide mentaliteiten behandelen een menselijk lichaam alsof het een pornografisch object is, maar de ene exploiteert het en de andere schermt het af. Wat nodig is voor een man is dat hij met behulp van Gods gratie zijn door pornografie verrot brein herbedraadt en een vrouw beschouwt als een geest-incarnaat en niet alsof zij een lustobject is, niet dat hij haar in een zwarte zak gaat steken met twee gaten erin voor de ogen.