De Stad van God vandaag – Augustinus als gids voor Vlaanderen

De Stad van God vandaag – Augustinus als gids voor Vlaanderen

Een theologisch essay over hoop, orde en waarheid in tijden van verwarring

In een tijd waarin onze samenleving haar richting lijkt te verliezen, klinkt de stem van de heilige Augustinus verrassend actueel.
Zijn monumentale werk De Stad van God is geen boek van het verleden, maar een kompas voor elke tijd waarin mensen zoeken naar de zin van geschiedenis,
de orde van de liefde en de ware vrede van het hart. Dit essay wil de lezer meenemen in de gedachtewereld van Augustinus — niet als museumstuk,
maar als levend licht dat ook Vlaanderen vandaag kan helpen onderscheiden tussen wat vergankelijk is en wat eeuwig blijft.

“Twee steden zijn gevormd door twee liefdes: de aardse door de liefde tot zichzelf tot minachting van God,
de hemelse door de liefde tot God tot minachting van zichzelf.”

— Augustinus, De civitate Dei, XIV, 28

📚 Lees Augustinus zelf – ontdek De Stad van God

“Wie de waarheid zoekt over mens, samenleving en God, vindt in Augustinus geen verleden, maar een toekomst.”

➡️ Bestel hier de authentieke Nederlandse uitgave:

De Stad van God – Aurelius Augustinus

(Hardcover, ISBN 9789026311888) — De Werkgroep Volksverlichting van het Katholiek Forum beveelt elke lezer aan om dit werk te bezitten, te lezen en levenslang te overwegen.

🕊️ Proloog – De Stad van God als licht in tijden van verwarring

Wanneer de Romeinse wereld in het jaar 410 werd geschokt door de plundering van haar hoofdstad, stortte voor velen niet enkel een stad, maar een wereldbeeld in.
De mensen die eeuwenlang hun vertrouwen hadden gesteld in de stabiliteit, de redelijkheid en de macht van het Imperium Romanum, zagen plots dat deze “eeuwige stad” wankelde.
De tempels waren leeg, de goden zwegen, en de belofte van menselijke vooruitgang leek gebroken.

In diezelfde schok herkennen wij vandaag iets van ons eigen Vlaanderen — een cultuur die ooit diep verankerd was in geloof, gemeenschap en orde, maar die nu leeft onder de indruk van verwarring, polarisatie en morele onzekerheid.
De symbolische “stad van de mens”, die zich baseert op eigen rede, techniek en autonomie, lijkt opnieuw op haar fundamenten te trillen.

Juist in zo’n moment van culturele beproeving spreekt Augustinus tot ons met profetische helderheid.
Zijn De civitate Dei (De Stad van God) is geen boek van troost in oppervlakkige zin, maar een heroriëntatie van het gehele menselijke denken.
Het is een werk dat, zoals de kerkvader zelf schreef, “de gemoederen optilt van de aardse vergankelijkheid naar de hemelse onveranderlijkheid”.

Waarom De Stad van God vandaag opnieuw gelezen moet worden

Augustinus schreef zijn monumentale werk niet om het Romeinse rijk te verdedigen, maar om de waarheid over de menselijke geschiedenis te herstellen.
Hij zag dat de val van Rome niet slechts een politiek feit was, maar een openbaring van een dieper geestelijk drama: de botsing van twee ordeningen, twee “steden” die elkaar sinds de schepping doorkruisen — de civitas terrena en de civitas Dei.

Voor Augustinus is elke samenleving, elk rijk en zelfs elke cultuur slechts zo rechtvaardig als haar liefde geordend is.
Wanneer de liefde tot het eigen voordeel, de macht of de begeerte de eerste plaats krijgt, ontstaat de stad van de mens;
wanneer de liefde tot God en de waarheid alles ordent, groeit de stad van God.
Deze twee steden zijn geen geografische realiteiten, maar geestelijke structuren die zich in harten, gezinnen, instellingen en zelfs naties weerspiegelen.

“Niet de muren maken de stad, maar de liefde die haar samenhoudt.”

Vlaanderen bevindt zich, zoals het Rome van Augustinus, op een kruispunt van zelfbegrip.
We zijn technisch en economisch machtig, maar geestelijk arm; sociaal verfijnd, maar moreel gedesoriënteerd.
De cultuur van de rede heeft zich losgemaakt van haar bron in de wijsheid, en de vrijheid is vaak verworden tot willekeur.
Daarom is De Stad van God geen verleden boek, maar een dringend hedendaags leerstuk.

De crisis van Rome als spiegel voor onze tijd

De plundering van Rome in 410 na Chr. door de Visigoten bracht een existentiële crisis teweeg.
Voor een cultuur die zichzelf als maatstaf van beschaving zag, leek het ondenkbaar dat de “eeuwige stad” kon vallen.
Augustinus doorziet in deze gebeurtenis echter méér dan politieke tegenslag: hij herkent een onthulling van verkeerde liefdes en valse zekerheden.
Niet de verering van de ware God was de oorzaak van de ondergang, maar de wanorde van de liefde die samenleving en ziel uit hun as tilde.

Deze leeswijze is geen antieke curiositeit.
Ook vandaag kennen we perioden waarin instituties wankelen, vertrouwen erodeert en culturele consensus verdampt.
Augustinus leert de lezer om ramp en tegenslag niet te reduceren tot blind noodlot of louter materiële oorzaken,
maar om de geestelijke laag te onderscheiden: welke goederen hebben wij als hoogste goed behandeld, en tegen welke prijs?

Remota itaque iustitia, quid sunt regna nisi magna latrocinia?
— Augustinus, De civitate Dei, IV, 4

Met deze beruchte formulering — een rijk zonder gerechtigheid is een georganiseerde roofbende — situeert Augustinus de norm van politiek en cultuur
niet in macht of efficiëntie, maar in gerechtigheid en ware eredienst.
Hij versmalt de werkelijkheid niet tot het zichtbare, maar opent haar naar het eschatologische perspectief:
aardse vrede is altijd voorlopig, echte vrede is gave en doel.

De bedoeling van Augustinus met De Stad van God

De civitate Dei is geschreven als antwoord op een dubbel verwijt.
Enerzijds beweerden heidense stemmen dat het christendom de ondergang van Rome had veroorzaakt;
anderzijds ontstond bij christenen de verleiding om God te vereenzelvigen met het lot van een rijk.
Augustinus bestrijdt beide misvattingen.
Hij ontmaskert de onmacht van de oudheidgodsdiensten om ware gelukzaligheid te bieden,
en bevrijdt tegelijk de christelijke hoop van politieke triomfdrang.

Het werk bestaat klassiek uit twee grote delen.
In de boeken I–X weerlegt Augustinus eerst de heidense religie (I–V) en vervolgens de heidense filosofie (VI–X).
In de boeken XI–XXII ontvouwt hij de oorsprong, voortgang en eindbestemming van de twee “steden”:
de civitas terrena en de civitas Dei.
Deze “steden” zijn geen territoria, maar ordeningen van liefde:
daar waar amor sui (eigenliefde ten koste van God) heerst, ontstaat de aardse stad;
waar amor Dei (liefde tot God, die de hele mens ordent) regeert, groeit de stad van God.

De methode van Augustinus is tegelijk historisch, bijbels en filosofisch.
Historisch, omdat hij de gebeurtenissen van zijn tijd duidt en de morele erosie van Rome blootlegt;
bijbels, omdat hij van schepping tot voleinding de heilsgeschiedenis volgt en daarin de twee steden traceert;
filosofisch, omdat hij concepten als goed, kwaad, vrijheid, genade en gelukzaligheid ontleedt en rangschikt.
De centrale thesissen worden telkens ingebed in exegese, geschiedenis en argumentatie —
waardoor het werk niet enkel devotioneel sticht, maar intellectueel onderwijst.

In dit geheel is de notie van ordo amoris — de orde van de liefde — sleutelig.
Kwaad is geen zelfstandige substantie, maar ontwrichting: het goede op de verkeerde plaats, het lagere verheven tot hoogste norm.
De genezing die Augustinus voorstelt, is daarom niet primair politiek, maar ascetisch en theologisch:
de liefde moet geordend worden naar het hoogste goed, God zelf, zodat mens en gemeenschap hun ware vorm terugvinden.

“Vrede is de rust van een geordende orde.”
— parafrase naar Augustinus’ opvatting van ordo en pax in De civitate Dei

Daarom is De Stad van God in wezen een leer over vrede:
niet de pax die men afdwingt door macht, maar de vrede die groeit wanneer liefde, waarheid en gerechtigheid hun juiste plaatsen innemen.
De aardse stad kan aan die vrede deelnemen in de mate waarin zij de waarheid eert;
de volheid ervan is echter eschatologisch en behoort aan de hemelse stad.

De boodschap voor de hedendaagse lezer

Wie De Stad van God leest, betreedt niet enkel een theologisch bouwwerk maar een geestelijke kaart van de werkelijkheid.
Augustinus toont hoe de zichtbare geschiedenis slechts de oppervlakte is van een dieper, onzichtbaar proces:
het rijpen van twee liefdes, twee ordeningen die zich verweven in de tijd.
De aardse stad is niet louter zondig, noch de hemelse louter toekomstig;
zij bestaan samen, als twee stromingen binnen één rivier die pas bij de monding volledig gescheiden worden.

Die spanning herkent de christen van elke eeuw: wij leven in de wereld, maar behoren niet toe aan haar vergankelijke maatstaven.
Voor de gelovige burger van Vlaanderen vandaag blijft Augustinus’ oproep brandend actueel:
werk aan de heiliging van het aardse leven zonder ooit de hemel te vergoddelijken.
Politiek, cultuur, gezin, wetenschap — zij hebben hun rechtmatige plaats in de tijdelijke orde,
maar slechts als zij de hogere orde van waarheid en liefde weerspiegelen.

“Twee steden lopen door elkaar heen als twee liefdes: en ieder mens bouwt, bewust of onbewust, aan één van beide.”
— interpretatie naar De civitate Dei, XIV, 28

De Vlaams-christelijke samenleving bevindt zich vandaag in een fase van culturele verwarring waarin traditionele zekerheden wankelen.
In het denken van Augustinus ligt echter geen nostalgie, maar hoop:
de overtuiging dat het menselijk hart rusteloos blijft tot het rust vindt in God.
Die beroemde zin uit de Belijdenissen fungeert als ondertoon van de hele Stad van God.
De civitas Dei is immers geen utopie maar een levende gemeenschap van mensen wier liefde geordend is volgens het hoogste goed.
Waar deze liefde herleeft — in gezinnen, parochies, scholen of academische gemeenschappen —
daar groeit de stad van God te midden van de stad van de mens.

Slotparagraaf – Een uitnodiging tot pelgrimage in waarheid

Deze proloog wil de lezer niet enkel informeren, maar uitnodigen tot een intellectuele en geestelijke pelgrimage.
De Stad van God lezen is een oefening in onderscheiden, ordenen en verheffen.
Men leert de geschiedenis zien met Gods ogen: niet als toevallige opeenvolging van machten, maar als de voortgang van voorzienigheid.
Men leert de cultuur beoordelen aan de hand van haar liefde, niet van haar prestaties.
En men ontdekt dat ware vrede slechts mogelijk is waar gerechtigheid uit liefde voortvloeit.

De Werkgroep Volksverlichting wil met deze reeks bijdragen het licht van Augustinus opnieuw laten schijnen over Vlaanderen.
Niet om de wereld te veroordelen, maar om haar te verlichten;
niet om zich af te sluiten, maar om te openen voor de waarheid die bevrijdt.
In die zin is dit essay geen eindpunt maar een begin — een oproep om zelf te lezen, te denken, te bidden,
en mee te bouwen aan die stad die nooit zal vallen.

“Laat ons niet rusten, totdat de Stad van God in ons hart gestalte krijgt.”

— Vrij naar Augustinus, Confessiones, I, 1

II. De wereld van Augustinus – Historische situering

Om De Stad van God te verstaan, moet men de wereld begrijpen waarin het geboren werd.
Het is een werk dat uit de as van een beschaving is opgestaan — geschreven in de nasleep van één van de grootste trauma’s uit de oudheid:
de plundering van Rome in 410 door de Visigoten onder leiding van Alarik.
De “eeuwige stad” was gevallen, en met haar de illusie dat menselijke macht zichzelf kon handhaven zonder het fundament van God.

Voor de Romeinen gold hun stad niet louter als een politieke macht, maar als een sacrale orde.
Haar pax romana werd beschouwd als bewijs van de gunst der goden;
haar rijkdom als teken van morele superioriteit.
Toen deze stad vernederd werd door barbaarse legers, klonk onmiddellijk de beschuldiging dat het christendom,
met zijn verwerping van de traditionele culten, de oorzaak van deze ramp was.
Men stelde dat de oude goden beledigd waren en hun bescherming hadden ingetrokken.

“Zij klaagden dat de goden door Christus verjaagd waren en daarom het rijk niet langer beschermden.”
— samenvatting van Augustinus’ weergave in De civitate Dei, I, 1

Tegen deze achtergrond schrijft Augustinus zijn antwoord.
Als bisschop van Hippo Regius, een havenstad in het noorden van Afrika (het huidige Annaba, Algerije),
stond hij niet enkel tegenover filosofische tegenstanders, maar ook tegenover een verschrikte bevolking.
Romeinse vluchtelingen bereikten de Afrikaanse kusten met verhalen van dood en verwoesting.
Hun vragen waren existentieel:
als God almachtig is, waarom laat Hij dit toe?
En als Hij rechtvaardig is, waarom worden dan de gelovigen evenzeer getroffen als de ongelovigen?

In dit pastorale en intellectuele klimaat ontstond tussen 413 en 426 De civitate Dei.
Het is niet geschreven als een pamflet, maar als een architecturaal meesterwerk dat over dertien jaar groeide.
Augustinus schreef boek na boek terwijl de gebeurtenissen zich ontvouwden:
de val van het rijk, de onrust in Noord-Afrika, de voortdurende dreiging van ketterijen zoals het donatisme en pelagianisme.
Elk van deze crises vormde de bodem waarop zijn denken over geschiedenis, genade en gemeenschap rijpte.

Augustinus’ leven en intellectuele ontwikkeling

Aurelius Augustinus werd geboren in 354 te Thagaste, in het huidige Algerije,
in een tijd waarin het Romeinse rijk zich nog uitstrekte over de hele mediterrane wereld,
maar innerlijk reeds uitgehold was.
Zijn moeder, Monica, was een vrome christin; zijn vader, Patricius, een heiden die pas later tot het geloof kwam.
De jonge Augustinus kreeg een klassieke opleiding in grammatica en retorica,
de gebruikelijke weg naar sociale promotie in het rijk.
Hij werd een begaafd redenaar en onderwijzer, maar ook een zoekende ziel.

In zijn zoektocht naar waarheid doorliep hij verschillende intellectuele scholen.
Eerst het manicheïsme, dat hem aantrok met zijn strakke morele dualisme,
daarna het scepticisme van de Academici, en uiteindelijk het neoplatonisme,
dat hem leerde de werkelijkheid te beschouwen als een orde van zijn, met God als hoogste Licht.
Deze laatste filosofie bereidde zijn bekering voor, maar pas onder invloed van Ambrosius van Milaan en de lezing van de Schrift
kwam hij tot de overtuiging dat waarheid niet enkel intellectueel maar existentieel is: zij vraagt om liefde en bekering.

“Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.”
Confessiones, I, 1

Na zijn bekering en doopsel in 387 keerde Augustinus terug naar Afrika,
waar hij enkele jaren later tot priester en vervolgens tot bisschop van Hippo werd gewijd.
Daar zou hij tot zijn dood in 430 een enorme intellectuele productie ontwikkelen:
polemische werken tegen de donatisten, pelagianen en arianen; exegetische commentaren; brieven; preken;
en vooral zijn twee monumenten: Confessiones en De civitate Dei.
Deze laatste vormt de synthese van zijn denken over geschiedenis, staat, moraal en eschatologie.

Een wereld op de rand van overgang

Augustinus leefde op het scharnierpunt tussen oudheid en middeleeuwen.
De wereld die hij kende, stond in brand: politieke structuren brokkelden af, het moreel gezag van de keizer wankelde,
en de traditionele religie had haar samenbindende kracht verloren.
Tegelijkertijd groeide de Kerk uit tot een universele gemeenschap die de erfenis van de klassieke cultuur droeg en transformeerde.
Augustinus werd zo de tolk van een overgang: hij zag de val van het oude rijk niet als het einde, maar als geboortewee van een nieuwe orde.
Waar de stad van de mens afbrokkelt, daar verrijst — vaak onzichtbaar — de stad van God.

Deze historische situering maakt duidelijk dat De Stad van God niet zomaar een polemisch werk is,
maar een theologisch antwoord op de fundamentele vraag: wat is de ware bestemming van de mens en de gemeenschap?
Met dit perspectief opent Augustinus een nieuw denken over geschiedenis —
niet als cyclische herhaling, maar als lineair proces dat gericht is op verlossing.
Dit zal het westerse wereldbeeld eeuwenlang vormen.

“Tussen de val van Rome en de komst van het hemelse Jeruzalem staat de mens als pelgrim:
geroepen om in liefde te leven, al is hij nog onderweg.”

— Vrij naar De civitate Dei, XIX, 17

III. De structuur van De civitate Dei – 22 boeken in twee delen

De Stad van God is niet slechts een toevallig samengestelde reeks verhandelingen,
maar een zorgvuldig gecomponeerd geheel van tweeëntwintig boeken,
geschreven tussen 413 en 426 na Christus.
De structuur weerspiegelt de logica van een groot apologetisch en theologisch bouwwerk:
eerst de afbraak van het heidense wereldbeeld, daarna de opbouw van het christelijke verstaan van geschiedenis en gemeenschap.

Augustinus verdeelt zijn werk in twee hoofddelen:

  • Boeken I–X: Weerlegging van het heidendom — de destructio.
  • Boeken XI–XXII: Opbouw van de christelijke visie op de twee steden — de constructio.

Deze tweedeling is niet louter formeel, maar drukt een innerlijke beweging uit:
van kritiek naar contemplatie, van zuivering naar inzicht, van de ontmaskering van de valse stad tot de openbaring van de ware.

Boeken I–V – De vergankelijkheid van aardse goederen

In de eerste vijf boeken richt Augustinus zich tot hen die meenden dat het christendom verantwoordelijk was
voor de val van Rome en het lijden van de burgers.
Hij weerlegt deze beschuldiging op historische, morele en theologische gronden.

In Boek I stelt hij dat de rampen die de stad troffen, niet nieuw zijn en ook vóór Christus voorkwamen.
Het lijden treft zowel rechtvaardigen als zondaars, maar met verschillend doel: voor de één als beproeving, voor de ander als straf.
Boek II laat zien dat de heidense zeden van Rome nooit ware deugd hebben voortgebracht;
zelfs in haar glorie leefde de stad in moreel verval.
Boek III behandelt de catastrofes van de oudheid zelf als bewijs dat de oude goden geen bescherming boden.
Boek IV onderzoekt de zogenaamde “voorspoed” van Rome: deze is te danken aan Gods algemene voorzienigheid, niet aan afgoden.
In Boek V bespreekt hij het thema van voorzienigheid en vrije wil:
ook politieke grootheid en menselijke daden staan onder Gods bestuur.

“Het is niet de macht die gelukkig maakt, maar de gerechtigheid waarmee men haar gebruikt.”
— naar De civitate Dei, V, 17

Deze eerste vijf boeken vormen de morele reiniging van de lezer: zij breken de illusie van wereldse zekerheid en laten zien
dat geen enkele aardse orde eeuwig standhoudt zonder geordende liefde tot God.

Boeken VI–X – De onmacht van de heidense filosofie en religie

In het tweede deel van de weerlegging (boeken VI–X) gaat Augustinus dieper in op de intellectuele structuren van het heidendom.
Hij onderzoekt de religieuze en filosofische tradities van de oudheid en toont hun innerlijke tegenstrijdigheden.
Tegenover de Romeinse goden van nut en voorspoed stelt hij de éne God van waarheid en liefde.

Boek VI behandelt de goden van de civiele religie en toont hun morele absurditeit:
zij zijn zelf onderworpen aan hartstochten en dus onwaardig tot verering.
In Boek VII wordt de zogenaamde “natuurreligie” onder de loep genomen:
de goden van de elementen, van vruchtbaarheid, van oorlog — allen blijken geschapen machten, niet de Schepper zelf.
Boek VIII bespreekt de heidense filosofen, vooral Plato, als getuigen van een halfgezien licht:
zij zochten de hoogste goedheid, maar kenden niet de weg van nederigheid.
Boek IX verwerpt de gedachte aan bemiddelende demonen die tussen God en mens zouden staan.
En Boek X besluit met een lofzang op de ware Middelaar, Christus,
die alleen de afstand tussen God en mens werkelijk overbrugt.

Met dit tiende boek sluit Augustinus de eerste helft af.
Het is als een katharsis: de afgoden zijn gevallen, de filosofieën ontmaskerd,
de rede is gezuiverd om te kunnen ontvangen wat zij zelf niet kan scheppen — genade.

Boeken XI–XIV – De oorsprong van de twee steden

Het tweede hoofddeel (boeken XI–XXII) opent met de schepping en de val.
In Boek XI beschrijft Augustinus de schepping van de engelen en de oorsprong van het kwaad:
niet een stof, maar een wilsafwijking — trots die zich van God afkeert.
Zo ontstaat de eerste tegenstelling tussen gehoorzaamheid en opstand, de eerste contour van de twee steden.
Boek XII vervolgt dit met de schepping van de mens en de erfzonde.
In Boek XIII behandelt hij de gevolgen van die zonde: de dood, de verdeeldheid en de innerlijke strijd van de ziel.
En in Boek XIV komt de kernpassage waarin hij de twee steden definieert:

“Twee steden zijn gevormd door twee liefdes: de aardse door de liefde tot zichzelf tot minachting van God;
de hemelse door de liefde tot God tot minachting van zichzelf.”
De civitate Dei, XIV, 28

Deze vier boeken vormen het metafysische fundament van het geheel:
zij verklaren de oorsprong van goed en kwaad, van orde en wanorde, van trots en nederigheid.

Boeken XV–XVIII – De geschiedenis van de twee steden

Hier ontvouwt Augustinus zijn theologie van de geschiedenis.
De twee steden lopen verweven door de tijd sinds Kaïn en Abel.
Boek XV behandelt hun geslachten als symbool van de twee wegen: de stad van de mens die haar toevlucht zoekt op aarde,
en de stad van God die pelgrimeert naar de hemel.
Boek XVI volgt de lijn van de beloften aan Abraham en Israël;
Boek XVII bespreekt de profeten en de Messiaanse vervulling;
Boek XVIII vergelijkt de heidense en de heilige geschiedenis — parallelle lijnen die in Christus samenkomen.

Deze boeken tonen dat geschiedenis geen kringloop is, maar een drama van voorzienigheid:
een geleide gang van de twee steden naar hun uiteindelijke scheiding.

Boeken XIX–XXII – De bestemming en voleinding

In de laatste vier boeken richt Augustinus de blik op het einde,
niet in apocalyptische angst, maar in hoop.
Boek XIX bevat zijn beroemde beschouwing over de vrede:
elke orde, zelfs de aardse, verlangt vrede; maar alleen de orde die gegrond is in waarheid bereikt haar volheid.
Boek XX behandelt het Laatste Oordeel;
Boek XXI de eeuwige straf voor hen die de liefde hebben verdraaid;
en Boek XXII de eeuwige vreugde en volmaaktheid van de stad van God.
Daar eindigt het werk in contemplatie: de rust van het hart in de aanschouwing van God.

“Daar zullen wij rusten en zien, zien en liefhebben, liefhebben en prijzen.
Dit is wat aan het einde zal zijn, zonder einde.”

De civitate Dei, XXII, 30

Zo sluit Augustinus zijn meesterwerk af.
Van de val van Rome tot de voltooiing van de hemelse stad ontvouwt zich een kosmisch visioen waarin menselijke geschiedenis wordt opgenomen
in het ritme van zonde en genade, strijd en vrede, tijd en eeuwigheid.


IV. De theologische kern – De twee steden en de orde van de liefde

Wie de kern van De Stad van God wil begrijpen, moet het centrum van Augustinus’ antropologie en theologie betreden:
de ordo amoris — de orde van de liefde.
Alles in dit monumentale werk draait om de wijze waarop de liefde geordend of ontwricht wordt,
en hoe die ordening bepaalt tot welke stad men behoort.
Niet geboorte, taal of grens, maar liefde is de oorsprong van beschavingen en zielen.

In boek XIV van De civitate Dei vat Augustinus de gehele menselijke geschiedenis samen in één magistrale formule:

“Twee steden zijn gevormd door twee liefdes: de aardse door de liefde tot zichzelf tot minachting van God;
de hemelse door de liefde tot God tot minachting van zichzelf.”
De civitate Dei, XIV, 28

In deze zin ligt het hele wereldbeeld van Augustinus besloten.
Het is geen abstracte tegenstelling, maar een existentiële:
iedere mens bouwt, bewust of onbewust, aan één van beide steden.
De aardse stad is niet noodzakelijk boos, maar beperkt: zij zoekt haar vrede in zichzelf,
in wat voorbijgaat; de hemelse stad zoekt haar vrede in God, de bron van alle orde.

De aardse stad (civitas terrena)

De aardse stad ontstaat waar de menselijke wil zich afkeert van God om zichzelf tot maatstaf te maken.
Haar grondwet is de amor sui — de liefde tot zichzelf, die leidt tot trots, competitie, en onrust.
Zij kent tijdelijke vrede, maar haar orde is voorlopig, haar gerechtigheid gebrekkig, haar wijsheid aards.
Ze kan bewonderenswaardige deugden voortbrengen — moed, discipline, loyaliteit — maar zij ontleent hun richting aan zelfbehoud, niet aan liefde tot God.

Augustinus erkent de waarde van de politieke orde binnen haar grenzen.
De staat is geen demonische macht, maar een noodzakelijke structuur binnen de tijd.
Toch is haar doel beperkt: het handhaven van aardse vrede, niet de verlossing van de mens.
De fout van de heidenen was niet dat zij de stad bouwden, maar dat zij haar vergoddelijkten.

“Zij wilden de vrede der mensen zonder de Vredevorst.”
— naar De civitate Dei, XIX, 17

Deze diagnose is verrassend actueel.
Ook moderne beschavingen, die hun fundament zoeken in autonomie, techniek of ideologie,
bouwen in wezen een nieuwe civitas terrena — efficiënt, rationeel, maar geestelijk leeg.
Wanneer de liefde tot God vervangen wordt door liefde tot macht of bezit,
verwordt de orde van de stad tot de orde van zelfhandhaving.
De mens verliest zijn maat in de Schepper en raakt gevangen in zijn eigen spiegelbeeld.

De hemelse stad (civitas Dei)

De stad van God is niet identiek met de zichtbare Kerk, maar zij komt erin tot uitdrukking.
Zij is de gemeenschap van allen, engelen en mensen, die God boven zichzelf beminnen.
Haar wet is genade, haar vrede is liefde, haar doel is God zelf.
Zij leeft te midden van de wereld als een pelgrim, peregrinans, die het aardse goed gebruikt zonder het te vergoddelijken.

Augustinus gebruikt vaak het beeld van Abraham als pelgrim:
geroepen uit Ur, zonder blijvende stad op aarde, wachtend op het hemelse vaderland.
Zo leeft ook de christen in de wereld, deelnemend aan haar arbeid, recht en kunst,
maar met de blik gericht op de eeuwige vrede.
De civitas Dei is geen vlucht uit de wereld, maar haar verlossing.

“Wij gebruiken deze wereld als pelgrims, niet als bezitters.”
De civitate Dei, XIX, 17

De orde van de liefde (ordo amoris)

Centraal in Augustinus’ visie staat de overtuiging dat kwaad geen zelfstandige substantie is,
maar een ontregeling van het goede.
Ieder schepsel is goed in zichzelf, maar wanneer de orde van de liefde wordt verstoord —
wanneer het lagere boven het hogere wordt gesteld — ontstaat kwaad.
Daarom is verlossing niet enkel vergeving, maar genezing van de liefde.

In de ordo amoris krijgt elk goed zijn juiste plaats.
God wordt bemind omwille van zichzelf,
de naaste omwille van God,
en de wereld omwille van haar Schepper.
Deze ordening brengt vrede omdat zij het hart verenigt met zijn doel.
Waar de orde ontbreekt, heerst verwarring — in de ziel, in de samenleving, in de beschaving.

“Vrede is de rust van een geordende orde.”
De civitate Dei, XIX, 13

De civitas Dei is dus niet slechts een plaats, maar een orde van liefde.
Zij bestaat reeds nu in de harten die juist geordend zijn.
In die zin is het Koninkrijk van God niet enkel toekomstig: het groeit in de wereld telkens wanneer liefde haar juiste richting herwint.

Zonde, genade en vrijheid

Augustinus’ theologie van de twee steden is onlosmakelijk verbonden met zijn leer over zonde en genade.
De mens, gewond door de erfzonde, is niet in staat zichzelf te herstellen.
Zijn wil is vrij in de zin van keuze, maar gebonden in haar richting:
zonder genade kiest zij steeds zichzelf.
Alleen door de genade wordt de wil bevrijd om het goede te beminnen.

Hierin verschilt Augustinus fundamenteel van zowel de heidense als de pelagiaanse opvatting van vrijheid.
Ware vrijheid is geen autonomie, maar de kracht om het goede te willen.
Genade is geen beperking van vrijheid, maar haar herstel.
In de stad van God is daarom geen slavernij, maar de “glorieuze vrijheid van de kinderen Gods” (Rom. 8,21).

Vrede en gerechtigheid

In het negentiende boek ontwikkelt Augustinus zijn leer over vrede (pax) en gerechtigheid (iustitia).
Iedere gemeenschap streeft naar vrede, maar de aard van die vrede hangt af van haar liefde.
De aardse vrede is orde in vergankelijkheid; de hemelse vrede is rust in eeuwigheid.
Gerechtigheid betekent dat ieder deel krijgt wat hem toekomt volgens de orde van de liefde:
de mens onder God, het lichaam onder de geest, de begeerte onder de rede, en alles onder de liefde.

Waar deze gerechtigheid ontbreekt, zegt Augustinus,
is de staat slechts een georganiseerde roofbende.
Een samenleving kan hoogontwikkeld zijn, maar als zij de waarheid niet eert, is zij innerlijk leeg.
De stad van God daarentegen leeft uit gerechtigheid die uit genade vloeit,
en die vrede tot vrucht heeft.

“Gerechtigheid is de orde waarin de liefde regeert.”

— samenvatting van De civitate Dei, XIX, 13

De theologische kern van De Stad van God is dus de genezing van de liefde,
de hervorming van de wil en de herordening van de ziel.
Vanuit deze binnenkant ontstaat de ware samenleving.
De stad van God groeit niet door verovering, maar door bekering.


V. De filosofische diepte – Geschiedenis, recht en wijsheid

Hoewel Augustinus als kerkvader en theoloog bekendstaat, is hij in wezen ook een filosoof —
niet in de zin van een systeemdenker, maar als iemand die het leven beschouwt in het licht van het hoogste goed.
De civitate Dei is, naast zijn theologische strekking, een magistrale synthese van de klassieke filosofie en de christelijke openbaring.
Augustinus neemt de beste inzichten van Plato en Cicero over, maar heroriënteert ze op hun ware doel: God als bron en maat van alle waarheid.

De erfenis van Plato en Cicero

Van Plato neemt Augustinus het idee over dat het zichtbare slechts een afschaduwing is van een hogere, eeuwige orde.
De ware kennis is herinnering aan het eeuwige, en de ware deugd is deelname aan het Goede.
Toch corrigeert hij de platonische visie op twee punten.
Ten eerste: de weg tot het Goede is niet louter intellectueel, maar moreel en genadig;
ten tweede: het Goede is niet een abstract beginsel, maar een Persoon — God zelf, die liefde is.

Cicero, de Romeinse denker, beïnvloedde Augustinus diep met zijn definitie van het rijk als gemeenschap van mensen die hetzelfde recht erkennen en hetzelfde belang delen.
Augustinus neemt dit over, maar stelt de kritische vraag:
kan er recht bestaan waar God niet erkend wordt als hoogste goed?
Zijn antwoord luidt ontkennend.

“Verwijder gerechtigheid, en wat zijn koninkrijken dan anders dan grote roversbenden?”
De civitate Dei, IV, 4

Hiermee overstijgt Augustinus de politieke moraal van zijn tijd.
Hij herleidt rechtvaardigheid niet tot wet, maar tot orde in liefde.
Wetgeving zonder morele waarheid kan de samenleving niet redden;
enkel de liefde die zich richt naar God verleent de gemeenschap haar samenhang.

De herinterpretatie van de stoïcijnse wijsheid

De stoïcijnen leerden dat de wijze mens leeft in overeenstemming met de natuur,
beheerst door rede en vrij van hartstochten.
Augustinus waardeert hun idee van innerlijke orde, maar ziet ook hun tekort:
zij kenden de menselijke zwakte, maar niet de genade die haar geneest.
De stoïcijnse deugd is hoogmoedig, de christelijke nederig;
de één vertrouwt op eigen kracht, de ander op de gave van God.

Toch erkent Augustinus in hun streven een glimp van waarheid.
In de natuurlijke orde ligt een echo van het goddelijke plan.
De rede is een gave van God, en wanneer zij zich richt op de waarheid,
is zij deelachtig aan de wijsheid die haar overstijgt.
Zo ontstaat bij Augustinus een christelijk humanisme avant la lettre:
de erkenning dat rede en geloof elkaar niet tegenspreken, maar vervolledigen.

“Begrijp om te geloven, geloof om te begrijpen.”
— Augustinus, Sermo 43, 7

De filosofie van de geschiedenis

Eén van Augustinus’ meest vernieuwende bijdragen is zijn visie op geschiedenis.
In tegenstelling tot de klassieke oudheid, die de geschiedenis als cyclisch beschouwde,
ziet Augustinus haar als lineair: een voortgang van schepping naar voleinding.
De gebeurtenissen zijn niet toevallig, maar geleid door voorzienigheid.
Deze visie breekt radicaal met het fatalisme van de oudheid en legt de grondslag voor de westerse opvatting van vooruitgang als heilsgeschiedenis.

De twee steden — hemels en aards — zijn niet gescheiden werelden,
maar twee richtingen in één geschiedenis.
Ze lopen samen tot het einde der tijden, wanneer ze volledig gescheiden zullen worden door het oordeel.
Zo krijgt de geschiedenis morele betekenis: elk moment is beslissend in de ordening van de liefde.

“God, die de wereld schiep, bestuurt haar ook.”
— naar De civitate Dei, V, 11

De geschiedenis is dus geen chaos, maar pedagogie: een leerschool waarin God de mens opvoedt tot eeuwigheid.
Elke gebeurtenis, ook ramp en verval, heeft zin binnen het plan van voorzienigheid.
Zelfs de val van Rome is, in dit perspectief, niet een mislukking van God, maar een openbaring van zijn oordeel over menselijke hoogmoed.

De natuur van recht en gerechtigheid

In Augustinus’ denken is recht (ius) niet louter een overeenkomst tussen mensen,
maar een deelname aan de goddelijke orde.
Gerechtigheid is niet wat de meerderheid beslist, maar wat de orde van de liefde eist.
Waar de wet zich verwijdert van het morele goed,
wordt zij een instrument van macht in plaats van vrede.

Dit denken ligt aan de basis van de christelijke rechtsfilosofie in het Westen.
Thomas van Aquino zal later zeggen dat een wet die tegen de rede en het hogere recht ingaat, geen wet is.
Die lijn begint bij Augustinus, die stelt dat de politieke orde slechts rechtvaardig is
wanneer zij zich laat richten door de eeuwige wet van God.

De wijsheid als harmonie van rede en geloof

Voor Augustinus is wijsheid (sapientia) meer dan kennis.
Zij is de smaak voor het goede, de innerlijke harmonie tussen verstand en liefde.
De ware filosoof is niet hij die veel weet, maar hij die juist liefheeft.
Daarom kan de boer die gelooft wijzer zijn dan de geleerde die trots is op zijn eigen inzicht.
Kennis zonder liefde maakt trots; liefde zonder kennis dwaalt;
maar kennis in liefde wordt wijsheid.

“Twee dingen verheffen de geest: het licht van de rede en het vuur van de liefde.”
— naar Augustinus’ geest in De civitate Dei, XI, 26

Zo is de filosofische diepte van De Stad van God niet te scheiden van haar theologie.
In haar worden de antieke idealen van orde, deugd en waarheid vervuld in het licht van de openbaring.
Waar de Griekse wijsheid het hoogste goed zocht in het contempleren van ideeën,
toont Augustinus dat het ware goed de ontmoeting is met de levende God,
in wie waarheid en liefde één zijn.

“Het geloof zoekt te begrijpen, en het verstand leert geloven.”

— samenvatting van Augustinus’ wijsheidssynthese

VI. De blijvende opdracht – De Stad van God in de stad van de mens

De Stad van God is niet louter een beschrijving van twee rijken, maar een roeping tot getuigenis.
Augustinus nodigt de gelovige uit om als burger van de hemelse stad te leven binnen de aardse,
met trouw aan beide ordes zonder ze te verwarren.
Zijn visie is even ver verwijderd van wereldvlucht als van wereldverafgoding.
De christen leeft in de wereld, maar niet van de wereld;
hij is geroepen om haar te verlichten door waarheid en liefde.

De pelgrimsgemeenschap in de wereld

Augustinus noemt de Kerk de peregrinans civitas — de pelgrimerende stad.
Zij is onderweg, tijdelijk gehuisvest in de aardse orde, maar haar bestemming ligt elders.
Deze pelgrimage maakt haar nederig en dienstbaar:
zij heerst niet, maar dient; zij bezit niet, maar deelt; zij verliest om te winnen.
In deze paradox ligt de kracht van het christendom:
door niet te zoeken wat de wereld zoekt, vernieuwt zij de wereld.

De Kerk leeft dus niet in isolement, maar in betrokkenheid.
Augustinus schrijft dat zelfs de burgers van de stad van God vrede zoeken met de burgers van de stad van de mens,
“zolang deze aardse pelgrimage duurt.”
Zij bidden voor de staat, betalen belastingen, beoefenen recht en wetenschap,
maar zij doen dit alles met een ander doel: niet om de aardse glorie te vergroten,
maar om de goddelijke orde te weerspiegelen.

“De burgers van de Stad van God gebruiken deze wereld, niet om erin te rusten, maar om erdoor te reizen.”
De civitate Dei, XIX, 17

De taak van het christelijk burgerschap

Augustinus ontwikkelt geen politieke ideologie, maar een morele houding.
De christelijke burger erkent het gezag van de staat,
maar weet dat geen menselijke macht absoluut is.
Politiek is een noodzakelijk instrument van orde,
geen bron van zaligheid.
De ware maat van goed bestuur is niet succes, maar gerechtigheid:
de eerbiediging van de waarheid en de bescherming van het zwakke.

Deze houding vraagt moed.
De burger van de Stad van God kan niet meegaan met elke tijdgeest.
Hij is geroepen om getuige te zijn van een hogere orde — soms tegen de stroom in.
Augustinus waarschuwt voor de verleiding om het rijk van de mens te vergoddelijken:
“Wanneer men de vrede van Babel verkiest boven die van Jeruzalem,
verliest men uiteindelijk beide.”

Voor Vlaanderen vandaag betekent dit dat christenen zich niet terugtrekken uit het publieke leven,
maar er aanwezig zijn als zout en licht.
Zij bouwen mee aan samenleving, gezin, onderwijs en cultuur,
maar steeds met het besef dat de hoogste loyaliteit aan God toekomt.
Zo blijft de Kerk, in Augustinus’ beeld, een stad op een berg — zichtbaar, maar niet heerszuchtig.

De vorming van geweten en gemeenschap

Een samenleving kan slechts standhouden wanneer haar leden leren onderscheiden tussen gebruik en misbruik van vrijheid.
Voor Augustinus is vrijheid niet de afwezigheid van grenzen, maar de aanwezigheid van orde.
Het is de vrijheid om het goede te willen.
Daarom is de vorming van het geweten — in gezin, school, liturgie en cultuur — een zaak van eerste belang.
Waar waarheid vervangen wordt door mening, wordt vrijheid een illusie.

De gemeenschap van de Stad van God groeit door onderricht en voorbeeld.
Ouders, leraren, priesters, kunstenaars en politici delen hierin een gemeenschappelijke taak:
de liefde tot waarheid doorgeven,
de orde van de liefde bewaken,
en de vrede van Christus in de samenleving zichtbaar maken.

“Wanneer de ziel regeert door de liefde, regeert God in de mens.”
— naar De civitate Dei, XIX, 13

De cultuur van de vrede

De ware vrede, zegt Augustinus, is niet de afwezigheid van conflict, maar de harmonie van geordende liefde.
Deze vrede moet beginnen in het hart, groeien in het gezin,
en uitstralen in de samenleving.
Zij vraagt om waarheid, vergeving en gerechtigheid.
Zonder deze drie vervalt vrede tot schijn.
Daarom is het christendom geen privézaak, maar een cultuurvormende kracht.

In de context van Vlaanderen betekent dit dat het geloof zich opnieuw moet laten horen in het publieke debat —
niet als ideologie, maar als getuigenis van een mensbeeld waarin waardigheid, verantwoordelijkheid en transcendentie centraal staan.
Waar deze dimensie verdwijnt, dreigt de mens te worden gereduceerd tot functie, consument of nummer.
De Stad van God herinnert ons eraan dat iedere mens geroepen is tot eeuwige gemeenschap,
en dat geen politiek systeem die roeping kan vervangen.

De opdracht van de Kerk

Augustinus ziet de Kerk als sacrament van de hemelse stad:
zij is zichtbaar teken van een onzichtbare werkelijkheid.
Haar zending is universeel:
in woord, sacrament en dienstbaarheid de liefde van God zichtbaar maken.
Wanneer zij trouw blijft aan haar Heer,
is zij tegelijk mysterie en maatschappelijk getuigenis —
een levende herinnering dat geen macht op aarde absoluut is.

Deze opdracht blijft vandaag dezelfde.
In een samenleving die de mens vaak tot maat van alle dingen maakt,
verkondigt de Kerk dat de mens pas zichzelf vindt in God.
Zij herinnert eraan dat waarheid niet door meerderheid wordt bepaald,
en dat gerechtigheid niet onderhandelbaar is.
Zo blijft de Kerk, in de geest van Augustinus, de levende herinnering van de Stad van God te midden van de stad van de mens.

“De Stad van God daalt niet uit de hemel om de aarde te veroordelen,
maar om haar te verlichten.”

— vrij naar Augustinus’ geest, De civitate Dei, XIX

VII. Vlaanderen vandaag – Augustinus als remedie

Wanneer men De Stad van God leest met het oog op onze eigen tijd,
dan ervaart men dat Augustinus niet spreekt uit een ver verleden, maar uit een blijvende actualiteit.
De spanningen die hij beschrijft — tussen waarheid en macht, geest en materie, liefde en hoogmoed —
zijn dezelfde die ook de hedendaagse samenleving doordringen.
In dit opzicht is De civitate Dei geen geschiedenisboek, maar een diagnose van het menselijk hart,
en tegelijk een weg naar genezing.

De crisis van onze beschaving

Vlaanderen is, in het begin van de eenentwintigste eeuw, een cultuur van ongeziene kennis,
economische welvaart en technische kunde.
En toch ervaart men een diepe leegte: een verlies van richting en betekenis.
De traditionele bronnen van zin — geloof, gezin, gemeenschap —
zijn verzwakt of vervangen door tijdelijke zekerheden: consumptie, entertainment en zelfontplooiing.
Wat Augustinus noemde de amor sui, de liefde tot zichzelf tot minachting van God,
lijkt de heersende logica geworden van onze cultuur.

Zoals het Rome van zijn tijd, zo aanbidt ook het moderne Westen de afgoden van voorspoed en autonomie.
Men spreekt over vrijheid, maar bedoelt vaak vrijheid van waarheid;
men spreekt over menselijkheid, maar vergeet de Schepper van de mens.
De samenleving is opgedeeld in bubbels van opinies en belangen,
en het gemeenschappelijk besef van wat goed en waar is, brokkelt af.
Augustinus zou zeggen: de stad van de mens heeft zich vergroot, maar haar fundament verzwakt.

“Wanneer de liefde tot zichzelf heerst, wordt zelfs orde een vorm van wanorde.”
— vrij naar De civitate Dei, XIV, 28

Dit verlies van oriëntatie raakt alle domeinen: politiek, onderwijs, media, gezin en religie.
In plaats van waarheid als gemeenschappelijk goed te zoeken,
vervangt men haar door procedures en consensus.
Maar zonder waarheid wordt vrijheid leeg, en zonder liefde wordt gerechtigheid koud.
De Vlaamse samenleving lijkt in vele opzichten te leven onder wat Augustinus beschreef als de “wanorde van de liefde”:
het lagere wordt verheven, het hogere vergeten.

De verleiding van technocratie en macht

Augustinus waarschuwde reeds dat de aardse stad haar macht gebruikt om stabiliteit te bereiken zonder gerechtigheid.
Ook in onze tijd dreigt de politiek te vervallen tot technocratie —
bestuur zonder waarheid, efficiëntie zonder ethiek.
Wanneer macht zichzelf tot doel maakt, wordt zij roofzuchtig,
ook al hult zij zich in de taal van redelijkheid.
De Stad van God herinnert eraan dat elke orde die niet gericht is op het ware goed,
innerlijk instort, hoe rationeel zij ook lijkt.

Vlaanderen staat hierin niet alleen: het hele Westen worstelt met de spanning tussen vrijheid en waarheid,
tussen menselijke autonomie en transcendente afhankelijkheid.
Augustinus biedt hier een theologisch realisme dat bevrijdend werkt:
hij erkent de beperkingen van de aardse stad, maar verabsoluteert ze niet.
Hij leert ons dat elke vorm van macht — politiek, cultureel of intellectueel —
slechts rechtmatig is wanneer zij dienstbaar is aan de orde van de liefde.

De nood aan een herordening van de liefde

De ware remedie die Augustinus biedt, is geen politieke strategie, maar een innerlijke ommekeer:
de herordening van de liefde.
Zolang de mens zichzelf als maat neemt, blijft hij verdeeld.
Wanneer hij echter zijn liefde richt op God, hervindt hij vrede met zichzelf, zijn naaste en de schepping.
Deze herordening is zowel persoonlijk als maatschappelijk:
zij vormt het geweten, herstelt het gezin, inspireert opvoeding en cultuur.

De ordo amoris — de juiste rangorde van liefde —
is dus de fundamentele ethiek voor onze tijd.
Vlaanderen heeft nood aan een herontdekking van wat Augustinus noemt de “rust van de orde”:
een samenleving waarin liefde niet sentimentaliteit is, maar verantwoordelijkheid;
waar vrijheid niet zelfzucht is, maar gerichtheid op het goede;
waar kennis niet macht is, maar dienst.

Het herstel van gemeenschap en waarheid

Een van de meest pregnante inzichten van Augustinus is dat vrede onmogelijk is zonder waarheid.
In Vlaanderen zien we hoe publieke debatten vaak verzanden in machtsstrijd,
terwijl waarheid wordt gerelativeerd als “mening”.
De remedie die Augustinus aanreikt, is eenvoudig maar radicaal:
erken dat waarheid geen creatie van de mens is, maar een gave van God.
Pas dan kan gemeenschap ontstaan, want alleen waarheid verbindt.

Dit geldt ook voor opvoeding en cultuur.
Augustinus beschouwde onderricht niet als overdracht van informatie,
maar als deelname aan wijsheid.
Een cultuur die dit vergeet, verliest haar ziel.
Vlaanderen heeft, net als het Rome van weleer, nood aan herbronning:
aan een cultuur van waarheid, schoonheid en goedheid —
de drie stralen van het goddelijke licht.

“Waarheid zonder liefde maakt hard, liefde zonder waarheid maakt zwak.”
— naar Augustinus’ geest, De civitate Dei, XIX

Een Vlaamse herbronning in de geest van Augustinus

De vraag die voor ons ligt, is dus niet louter hoe Vlaanderen zijn economie of instellingen kan versterken,
maar hoe het zijn ziel kan behouden.
Augustinus wijst de weg: herstel de orde van de liefde,
eer de waarheid boven macht,
erken de mens als beeld van God.
Daarin ligt de ware beschaving.

De civitas Dei is niet enkel een hemelse toekomst, maar een roeping voor nu.
Elke school die waarheid onderwijst, elke familie die in liefde leeft,
elke gemeenschap die gerechtigheid zoekt,
bouwt reeds aan de Stad van God te midden van de stad van de mens.
De toekomst van Vlaanderen hangt niet af van ideologie of techniek,
maar van deze innerlijke bekering van hart en verstand.

“Laat Vlaanderen opnieuw een land worden waar waarheid en liefde elkaar kussen.”

— Vrij naar Psalm 85 en de geest van Augustinus

Epiloog – Slotwoord

Er komt een punt waarop het denken zwijgt en het hart begint te luisteren.
Wie met Augustinus de twee steden heeft doorkruist,
voelt hoe elke redenering uiteindelijk uitmondt in een gebed.
Niet omdat het verstand faalt, maar omdat het zijn bestemming bereikt:
de aanschouwing van de waarheid die het steeds heeft gezocht.

De mens, zegt Augustinus, is een pelgrim van verlangen.
Al zijn zoeken, werken en lijden hebben slechts één doel:
de rust vinden waarvoor hij geschapen is.
Deze rust is geen stilstand, maar volheid;
geen verstilling uit vermoeidheid, maar de vrede van een liefde die haar orde gevonden heeft.
Daarin ligt het geheim van de Stad van God: niet als toekomstig rijk,
maar als tegenwoordige werkelijkheid in de zielen die beminnen.

“Daar zullen wij rusten en zien, zien en liefhebben, liefhebben en prijzen.
Dit is wat aan het einde zal zijn, zonder einde.”
De civitate Dei, XXII, 30

Wie dit leest in geloof, weet dat de ware vrede niet buiten hem ligt, maar in hem geboren wordt.
Zij begint in het stille gebed, in het vertrouwen dat God groter is dan de onrust van de wereld.
Elk hart dat zijn liefde ordent, herstelt iets van de harmonie die verloren ging.
Zo bouwt de Stad van God zich op uit de binnenkant van de mens:
steen voor steen, liefde voor liefde.

Misschien is dat de diepste les van dit boek:
dat de geschiedenis niet enkel geschreven wordt in kronieken en wetten,
maar in de stille bekeringen van zielen die God boven alles beminnen.
Daar, in dat verborgen werk van genade, groeit de beschaving die niet vergaat.

En daarom eindigt Augustinus niet met triomf, maar met aanbidding.
Hij legt de pen neer als wie buigt.
De woorden vallen stil, maar hun echo blijft:
een oproep tot vrede, een uitnodiging tot vertrouwen,
een herinnering dat de eeuwige stad reeds in ons hart geboren kan worden,
wanneer wij leren beminnen zoals wij gekend zijn.

“Laat ons niet rusten, totdat de Stad van God in ons hart gestalte krijgt.”

— vrij naar Augustinus’ geest, Confessiones, I, 1

Zo eindigt niet een boek, maar een weg.
Wie deze woorden leest en in zich laat werken,
is reeds onderweg naar de vrede die geen einde kent.

 

Auteur:Sandra van Vlaanderen

God ter ere, ons volk ten bate
Regels voor reacties:
1. Haatreacties en reacties met vloek- en scheldwoorden zijn niet toegestaan.
2. "Trollen" is verboden. Dit forum is bedoeld als ontmoetingsplaats waar inhoudelijke reacties worden gegeven op een artikel, of waar meningen kunnen worden uitgewisseld, niet om te trollen. Bij herhaaldelijke overtredingen zal de gebruiker worden geblokkeerd.
3. Anonieme gebruikersnaam is toegelaten. Registreren kan hier.
4. Katholiek Forum wil een beleefd, doch ongecensureerd platform aanbieden en is daarom volstrekt niet aansprakelijk voor de inhoud van de reacties.

Doe mee met de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.