Vlaamse Feestdag?

Vlaamse velden

Indien we op zoek willen gaan naar de ‘Vlaamse identiteit’ dan volstaat het niet om te stellen, dat een ‘Vlaming’ een inwoner van de regio ‘Vlaanderen’ is. Het leert ons niets te weten, dat een ‘Vlaming’ een lid is van de Vlaamse Gemeenschap of een inwoner van het Vlaams Gewest. De meeste Vlamingen zullen het verschil trouwens niet eens weten te duiden. Aangezien de staat België pas in 1980 bij ‘Bijzondere wet tot hervorming der instellingen’ werd opgedeeld in drie gewesten en drie gemeenschappen, zal het toch voor iedereen duidelijk zijn, dat de ‘Vlaamse identiteit’ toen niet is ontstaan. Gezien de vele maatschappelijke veranderingen die zich de voorbije 40 jaar hebben voltrokken, wordt het meteen duidelijk, dat de ‘dominante cultuur’ – die vooral door de media wordt gepromoot en net daarom ‘dominant’ is – aan verandering onderhevig is. De vraag is natuurlijk of deze veranderingen definitief en permanent ‘verworven’ zijn, of dat er eerder toch sprake is van een pendelbeweging waarbij verloren gegane kenmerken terug kunnen keren?

Het blijkt dus, dat de ‘dominante cultuur’ een plastisch gegeven is, en dus kneedbaar is, wanneer er druk op wordt uitgeoefend door bijvoorbeeld de politiek, de media, opiniemakers en social influencers. Vlaanderen anno 2019 presenteert zich als een ultra-liberale, ‘hippe’ en vooral permissieve regio met een vermeende ‘scheiding tussen Kerk en staat’, milieubewuste fietsers, falende politici, massa-immigratie, seriële ‘monogamie’, drank en drugs, abortus, holebi-rechten, euthanasie, transgenders, etc. Of deze bizarre, artificiële ‘dominante cultuur’ eigenlijk wel verenigbaar is met de Vlaamse identiteit of met de Vlaamse volksaard blijft natuurlijk de vraag. De (té) snelle maatschappelijke veranderingen sinds de Tweede Wereldoorlog roepen natuurlijk terecht aversie en ressentiment op aangezien in zekere zin niemand ooit nog volledig ‘ingeburgerd’ kan zijn. Sommigen stellen zich dan ook terecht de vraag of ze in deze verwilderde Far West eigenlijk nog wel willen blijven wonen. Feit is, dat een ernstig en fundamenteel publiekdebat aangaande deze problematieken nooit wordt gevoerd en dat er niet wordt nagedacht over waar we – met z’n allen – naartoe willen.

Volgens de media – die eigenlijk alleen maar aan social engineering doen – is de ‘nieuwe Vlaming’ lucide, hoffelijk, sociaal intelligent, klimaatbewust, ambitieus, gedreven, flirtend, hardwerkend, toegewijd, ruimdenkend en – ondanks zijn anti-Russische ingesteld – vooral toch ook ‘verdraagzaam’. Toch voelen veel mensen zich eenzaam en in de steek gelaten. Ze voelen zich onbegrepen en hebben het gevoel niet meer mee te kunnen in deze complexe en zeer ‘diverse’ maatschappij. Zij hebben zelfs het gevoel er – in hun eigen woonwijk – niet meer bij te horen. Vluchten in een virtuele wereld is vaak ook geen optie, omdat zelfs hier in het Westen niet iederéén met zijn smartphone op Google, Facebook, WhatsApp, Messenger, Twitter, Instagram of TicToc zit. Toch roepen de cultuurmarxisten onder ons op om onze ‘(ver)oude(rde) ik’ – onze eigen identiteit – complexloos achter ons te laten en op zoek te gaan naar een ander zelfbeeld om ons vervolgens als volk een nieuwe volksaard aan te meten. Met veel ‘groen gezond verstand’, een kilometerheffing, een vliegtuigtaks, een niet (helemaal) gecompenseerde betonstop, een suiker-, vet- en vleestaks en straks ook nog de afschaffing van de salariswagen, komen we er volgens de cultuurmarxisten wel. Kortom, de Vlamingen moeten een geheel ‘nieuw’ volk uit de grond stampen.

In 1971 schreef de Nederlandse auteur Godfried Bomans in zijn boek ‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen’ een interview met de latere premier en professor Mark Eyskens neer. Bomans wierp tijdens het bewuste interview waarderend op: “Een Vlaming voelt zich dorpser en meer verbonden met de bodem dan een Nederlander”. De misprijzende repliek van de CD&V-er Eyskens luidde: “Eén van onze tere plekken is precies wat men soms onze ‘dorpsmentaliteit’ noemt. Ik vind wel dat onze ontvoogding gaat via de optilling uit de moestuinen. Misschien betreurt u dat?” In het verrassende antwoord van de minzame Bomans tegenover de bijtende Eyskens, zong de Katholieke Bomans vervolgens de lof van het eenvoudige leven: “Je kan maar een steentje in het mozaïek zijn, als je zelf een steentje bènt. Ik mag dat dorpse wel, want ik heb zelf ook die mentaliteit. Ik ben ook gehecht aan mijn Haarlem, met alle bezwaren die ik ertegen heb”.

Het is duidelijk, dat Bomans’ voorkeur uitging naar de stille en mooie hoekjes in Vlaanderen. Maar ook hij wist maar al te goed, dat de naoorlogse periode in Vlaanderen vooral gekarakteriseerd werd door de omschakeling van een nog sterk agrarische gemeenschap naar een (post-)industriële maatschappij. Dit had uiteindelijk de verhoging van de levensstandaard, de ontsluiting van de cultuur voor een breder publiek én de ontkerkelijking tot gevolg. De Vlaamse Beweging was dus zeker niet alleen een taalstrijd, maar vooral ook een sociale ontvoogdingsstrijd. In feite is dat nog steeds zo aangezien de Franstalige politici en bourgeoisie in dit land nog steeds met het opgeheven vingertje gaan zwaaien, wanneer de Vlamingen wat té assertief uit de hoek komen.

Uiteindelijk kwam Godfried Bomans naar Vlaanderen omdat hij hier op zoek was naar een soort van openluchtmuseum. Maar Bomans kwam begin jaren ’70 van de vorige eeuw echter ook – met spijt in het hart – het verdwijnen van datzelfde Vlaamse openluchtmuseum vaststellen. In Nederland had men natuurlijk al eerder met behulp van de Provo’s en de Dolle Mina’s in de wilde jaren ’60 schoonschip gemaakt. Toch blijft de karakterschets door Bomans van die ‘dorpse’ Vlaming die “zich méér verbonden voelt met de bodem” bij mij wel hangen. Het roept het beeld op van een Vlaming die – als seculiere Christen – toch gehecht blijft aan zijn kerktoren. Ook het beeld van de ‘moestuin’ spreekt me – ondanks de minachting van Eyskens – wel aan. Aangezien de CD&V-er Mark Eyskens kennelijk iets tegen moestuinen heeft, hoeft het natuurlijk ook niet te verbazen, dat hij in 1990 samen met veertien andere regeringsleden één van de meest liberale abortuswetgevingen ter wereld ondertekende en bekrachtigde.

Het met de handen wroeten in de bodem – iets wat Eyskens natuurlijk niet kent – schept natuurlijk een bijzondere band met het land zélf. Zou een ‘Vlaming’ dan niet een persoon kunnen zijn wiens voorouders de bodem bewerkten en er de grond bewoonden? Interessant is om vast te stellen, dat men onder de huidige bouwvoor op de Vlaamse akkers, de Middeleeuwse ploegsporen en zelfs de spadesteken van de oorspronkelijke ‘inboorlingen’ nog steeds archeologisch kan vaststellen. Deze Vlaamse ‘inboorlingen’ hebben sinds de Vroege Middeleeuwen met relatief grootschalige landbouwactiviteiten – die vooral door de kloosters en de abdijen werden gestuurd – de Vlaamse grond vruchtbaar gemaakt. Het woord ‘inboorling’ is trouwens een synoniem van het aan het Oudgrieks ontleende ‘autochtoon’ (αὐτος/autos = ‘zelf’ en χθων/chthoon = ‘land’ of ‘grond’).

De Christelijke Middeleeuwen waren dynamische tijden, waarin de landbouwproductie sterk groeide en de welvaart toenam. Overal werden er eerst talrijke Romaanse en iets later Gotische kerken en kathedralen gebouwd. Deze majestueuze kerktorens karakteriseren – ondanks de aanwezigheid van steeds méér landschapontsierende windturbines – nog steeds het vlakke, Vlaamse land. De economische hoogconjunctuur in de landbouw tijdens de Middeleeuwen was het gevolg van een uitzonderlijk mild klimaat dat zorgde voor rijke oogsten. Het ‘Middeleeuws Klimaatoptimum’ – ook wel de ‘Middeleeuwse Zomer’ genoemd – duurde grofweg van 800 tot 1350 n.Chr. Voor de Middeleeuwse landbouweconomieën gingen overvloedige oogsten en een toename van de welvaart hand in hand. De zachte winters en lange zomers, met een gemiddelde, maximale temperatuurstijging van circa twee graden, zorgden voor een betere graanopbrengst, meer weidegronden (waardoor de veestapel toenam) en de komst van de wijnstok. De bevolkingsgroei was spectaculair, want tussen 1000 en 1350 verdubbelde de Vlaamse bevolking. Het is tijdens deze Christelijke Middeleeuwse Zomer, dat de Vlaamse volksaard werd gekneed.

De Middeleeuwse kathedraal – de kerk waarin de zetel of de cathedra van de bisschop staat – was de spiegel van het Middeleeuwse geloof en leven. Op de rijke glas-in-loodramen, die in de kathedralen fonkelen als caleidoscopen, worden Christus en Zijn Moeder, engelen en heiligen, koningen, edelen, bisschoppen en priesters, ambachtslieden en boeren afgebeeld. Voor de Middeleeuwse mens, die slechts gewend was aan kleine, krakkemikkige, houten vakwerkhuisjes met wat pleisterwerk en riet, moet een Gotische kathedraal – die het Hemelse Jeruzalem verbeeldde – met haar glas-in-loodramen en haar duizelingwekkende hoogtes, gewerkt hebben als een stenen visioen. Het priesterkoor van de kathedraal baadde ’s ochtends tijdens de Heilige Mis in een hemels licht, dat gekleurd werd door rood, groen, geel en vooral blauw glas. In de Middeleeuwen werd er geschilderd met glas en geschreven met licht. De namen van de kunstenaars verdwenen echter in de mist van de geschiedenis, maar zij drukten met hun tijdloze kunst wel hun stempel op de Vlaamse volksaard.

‘Identiteit’ heeft dus in feite niets te maken met het bezit van één of andere nationaliteit omdat het Middeleeuwse ‘Vlaanderen’ natuurlijk 1.000 jaar ouder is dan de hedendaagse, seculiere ‘natiestaten’, die pas na de Franse Revolutie zijn ontstaan. Staatsburgerschap of nationaliteit kan dus a priori géén criterium zijn. Verder is het ook moeilijk om van de ‘Vlaamse taal’ – die in Limburg anders is dan in West-Vlaanderen – hét determinerende criterium te maken. Er zijn trouwens ook nog andere groepen zijn die zich ‘Vlaming’ voelen, maar geen of slecht ‘Vlaams’ spreken. Het gaat onder meer om de inwoners van Zeeuws-Vlaanderen en andere grensgebieden in Nederland, en zelfs om de verfranste dialect-sprekers uit Frans-Vlaanderen en uit Wallonië, en om de nakomelingen van Vlaamse emigranten, overwegend in Noord- en Zuid-Amerika. Met taal is het een beetje zoals met de zogenaamde ‘Vlaamse Primitieven’, die in feite noch ‘Vlaams’, noch primitief waren. Identiteit is veel méér dan de optelsom van een aantal uiterlijk waarneembare kenmerken. Identiteit verwijst primair naar de meest fundamentele aspecten van iemands zijn, denken, gevoelens en gedrag. Het betreft de ziel. Mensen nemen zichzelf ook waar in de wereld en proberen te overschouwen hoe zij in de wereld zijn ingeschakeld of niet. ‘Identiteit’ is dus het geheel van betekenissen die in de zelfervaring een rol spelen en die cognitie, emotie en gedrag sturen. Identiteit is de ‘eigenheid’.

Deel dit artikel:Share on Facebook0Share on Google+0Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn0Pin on Pinterest0Email this to someonePrint this page

Author: Mathieu Albert

3 thoughts on “Vlaamse Feestdag?

  1. Helaas is Vlaanderen grotendeels ten prooi gevallen aan secularisatie, materialisme en gemakzucht. Het Vlaanderen uit sommige mooie Marialiederen is teloor gegaan.

Regels voor reacties: 1. Haatreacties en reacties met vloek- en scheldwoorden zijn niet toegestaan. 2. "Trollen" is verboden. Dit forum is bedoeld als ontmoetingsplaats waar inhoudelijke reacties worden gegeven op een artikel, of waar meningen kunnen worden uitgewisseld, niet om te trollen. Bij herhaaldelijke overtredingen zal de gebruiker worden geblokkeerd. 3. Anonieme gebruikersnaam is toegelaten. 4. Katholiek Forum wil een beleefd, doch ongecensureerd platform aanbieden en is daarom volstrekt niet aansprakelijk voor de inhoud van de reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.