De Heilige Martelaren van Gorcum (9 juli): over heiligen en watergeuzen, waterstaatskerken, schuilkerken, schuurkerken, Leopoldskerken en recognitiegelden

9 juli 2017

‘De Heilige Martelaren van Gorcum’ door Cesare Fracassini, nu in de Vaticaanse Musea

Hoewel het waarschijnlijk niet in de bedoeling lag van Willem van Oranje om tot een regelrechte katholieken-vervolging over te gaan, schiep hij door het omarmen van de bloeddorstige watergeuzen daar wel zélf de gelegenheid toe. In de door de geuzen veroverde steden werd steeds hardhandig ‘afgerekend’ met de lokale, Katholieke geestelijkheid. Velen ondergingen martelingen en werden vermoord. De haatdragendheid en wreedheid van de geuzenleiders Willem Lumey (van Lummen) en Diederik Sonoy speelde hierin een grote rol. Tijdens de opstand tégen koning Filips II namen de geuzen op 26 juni 1572 eerder toevallig de stad Gorcum (Gorinchem in Zuid-Holland) in. Hoewel door de geuzen – die in alliantie met Willem van Oranje stonden – godsdienstvrijheid was toegezegd, werden zeventien priesters, zowel seculieren als regulieren, alsmede twee lekenbroeders uit Gorcum gevangengenomen en gefolterd. Op 9 juli 1572 werden zij bij Den Briel opgehangen in een turfschuur waarna hun lichamen werden verminkt. Een belangrijk deel van de relieken van deze martelaren bevindt zich thans in de Sint-Niklaaskerk aan de Boterstraat in Brussel.

Hoewel iets later, de 17de eeuw, of de ‘Gouden Eeuw’ in Nederland, de geschiedenis zou ingegaan als een ‘tolerante’ tijd, was er van echte verdraagzaamheid van de kant van de calvinisten tegenover andere gezindten weinig sprake. Er heerste weliswaar ‘gewetensvrijheid’, maar ‘godsdienstvrijheid’ was alleen weggelegd voor de calvinistische gereformeerden zélf. Verder konden alleen buitenlanders en als buitenlanders beschouwde personen, zoals de joden, hun godsdienst vrij uitoefenen. ‘Nederlanders’ werden geacht over te gaan tot de gereformeerden. Openlijke uitoefening van de Katholieke godsdienst was vanaf 1581 niet meer toegestaan. Nadat de calvinisten in grote delen van Nederland aan de macht waren gekomen en alle kerken hadden geconfisqueerd, moesten de Katholieken hun toevlucht nemen tot verborgen en illegale kerkjes in bestaande gebouwen. In eerste instantie werd hier door de autoriteiten bij ontdekking steeds hard tegen opgetreden. In de loop van de 17de eeuw ging de overheid echter een pragmatischer houding innemen. Het gebruik van schuilkerken werd dan ook steeds meer toegestaan. In eerste instantie werden ze oogluikend gedoogd, later kon tegen jaarlijkse betaling van enorme sommen geld – het zogenaamde ‘recognitiegeld’ – een officiële vergunning verkregen worden. Het ‘recognitiegeld’ was het bedrag, dat de Rooms-Katholieken moesten betalen ten tijde van de Republiek om hun kerkdiensten ongestoord te kunnen houden. Letterlijk betekent recognitie: erkenning.

Hoewel vanaf 1581 de Katholieke eredienst formeel verboden was in de Republiek zagen de regenten later in de 17de eeuw geen reden meer om een conflict aan te gaan met de aanzienlijke Katholieke minderheid. Op de Grote Vergadering van 1651 bleven de plakkaten waarin het verbod was vastgelegd weliswaar van kracht, maar tegelijkertijd werd aangegeven, dat de handhaving hiervan weinig prioriteit had. Voor de Katholieken bleef de situatie door de handhaving van het verbod echter precair. In de praktijk bleef daarom de regeling bestaan, dat zij na de jaarlijkse betaling van een geldbedrag, het recognitiegeld, door de overheid met rust gelaten zouden worden. Maar, zelfs na betaling van het recognitiegeld kon het ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog voorkomen, dat de baljuw of de schout de Katholieke kerkdiensten liet verstoren. Na de Vrede van Münster (15 mei 1648) kwam dit nauwelijks meer voor en konden de Katholieken – discreet – eigen kerkgebouwen inrichten: schuilkerken dan wel schuurkerken.

De verlening van een vergunning voor een schuilkerk of een schuurkerk was wel aan een aantal voorwaarden verbonden. Zo mocht een schuilkerk van buiten op geen enkele manier als kerk herkenbaar zijn en mocht het gebruik van de schuilkerk niet als storend worden ervaren door de calvinisten. In de steden waren schuilkerken vooral in huizen en pakhuizen gevestigd, op het platteland was de plaats van samenkomst doorgaans een boerenschuur. Kerkgangers moesten het gebouw binnengaan door een deur die niet aan de openbare weg mocht liggen, en dan nog slechts met hoogstens twee personen tegelijk. Klokgelui was verboden en gezang mocht buiten niet hoorbaar zijn. Op het platteland werden bovendien vaak als extra voorwaarden gesteld, dat de kerk zich buiten het dorp moest bevinden en alleen een rieten dak mocht hebben als teken van ondergeschiktheid aan de gereformeerde kerken.

De zogenaamde ‘Nederduitse Gereformeerde kerk’ zou in de Republiek haar bevoorrechte positie behouden tot in de Franse tijd (1795 – 1813), toen voor het eerst de scheiding van Kerk en staat tot stand kwam. Vanaf de Franse tijd ontwikkelde Nederland zich tot een natiestaat, aanvankelijk als het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815, dat door de Belgische Revolutie in 1830 echter alweer uiteenviel. In 1816 onderwierp koning Willem I der Nederlanden de ‘Nederduitse Gereformeerde kerk’ aan een nieuw reglement, en hernoemde haar tot ‘Nederlandse Hervormde kerk’. Dit werd door sommigen echter gezien als ongewenste staatsinmenging in kerkelijke zaken. De instelling van de ‘Nederlandse Hervormde kerk’ in 1816 was voor de Nederlandse Katholieken een tegenslag; zij hadden in de Franse Tijd gelijkheid ten opzichte van hun landgenoten gekregen doordat de ‘Nederduitse Gereformeerde kerk’ haar publiekelijk bevoorrechte status verloor. De ‘Nederlandse Hervormde kerk’ leek met het reglement van Willem I weer een quasi-staatskerk te gaan worden en de Katholieken weer tweederangsburgers. Dit was al helemaal opmerkelijk omdat in de periode 1815-1830/39 binnen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden de vrijwel volledig Katholieke Zuid-Nederlandse (Belgische) bevolking samen met de (Noord-)Nederlandse Katholieken de hervormden tot een minderheid maakte. De Katholieken vormden met 62,7% van de totale bevolking in 1830 de absolute meerderheid, terwijl het Hervormde aandeel reeds gereduceerd was tot 21,6%.

Koning Willem I probeerde echter ook aan de verzuchtingen van de Katholieken tegemoet te komen. De term ‘waterstaatskerk’ ontstond nadat koning Willem I in 1824 bepaald had, dat er géén nieuwe kerken meer gebouwd mochten worden zonder voorafgaande koninklijke goedkeuring. De praktijk leerde dat ingenieurs van Rijkswaterstaat – het uitvoerende agentschap van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in Nederland – de ontwerpen maakten, of toezicht hadden op ontwerpen van anderen. De bouwstijl in de negentiende eeuw was veelal neo-classicistisch en werd door de financiële steun van de landelijke overheid gepromoot. In Nederland zijn er ongeveer 75 neo-classicistische kerken. Ongeveer vijftig daarvan behoren tot de Rooms-Katholieke Kerk, het restant is Hervormd kerkbezit. De staatsbemoeienis – in de persoon van de koning die zich met alles en nog wat bemoeide – werd niet door iedereen in dank afgenomen. Met name voor Rooms-Katholieken waren de bezwaren tegen de neo-classicistische (‘heidense’) bouwstijl vrijwel onoverkomelijk. De regeling werd echter ingevoerd om een einde te maken aan conflicten tussen Katholieken en hervormden over het bezit van oude kerken. Een eerdere regeling die een proportionele verdeling van kerkgebouwen beoogde, mislukte door de veelvuldige weigering van hervormde zijde om mee te werken. Een aantal kerken werd weliswaar officieel teruggegeven aan de Katholieken, maar deze konden de gebouwen niet in gebruik nemen, omdat de hervormden weigerden ze te verlaten. Uiteindelijk werd besloten dat elke kerk in handen bleef van het genootschap dat die kerk op dat moment in bezit had, legaal of niet.

Een bijzondere groep kerken in Nederland vormen de zogenaamde ‘Leopoldskerken’, vier protestantse kerken in de huidige provincie Limburg die tussen 1835 en 1839 op kosten van de Belgische overheid werden gebouwd. Er werden in totaal vier Leopoldskerken gebouwd, te weten het Leopoldskerkje (1836) te Meerssen, het Leopoldskerkje (1837) te Beek, het Leopoldskerkje (1837, in 1967 gesloopt) te Gulpen en het Leopoldskerkje (1838, in 1949 gesloopt) te Heerlen. In deze plaatsen hadden de protestanten middels een simultaneum sinds de 17de eeuw gebruik kunnen maken van de parochiekerken. Dit simultaneum werd onder het Belgische bewind afgeschaft, waardoor de kerken weer volledig in Katholieke handen kwamen. In 1835 werd bij een besluit van de Belgische koning Leopold I, zelf protestant, bepaald dat de bouw van protestantse kerken in deze plaatsen zou worden gesubsidieerd.

Het was pas door de latere grondwetsherziening van 1848 door de liberaal Thorbecke, die bepaalde dat alle godsdiensten voor de Nederlandse staat gelijk waren, dat Katholieken maar ook niet-hervormde protestanten voortaan niet meer achtergesteld werden, en het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland mogelijk maakte. Met de pauselijke bul Ex Qua Die van 4 maart 1853 werd dit voltooid, maar hier kwam meteen fel protestants verzet tegen in de vorm van de Aprilbeweging, die Nederland een protestants land wilden houden. Koning Willem III had sympathie voor het hervormde verzet, weigerde dat op te geven en verbrak daarmee de scheiding van kerk en staat, wat leidde tot de val van het kabinet-Thorbecke. Uiteindelijk werd het herstel toch doorgevoerd en kwam er een Wet op de Kerkgenootschappen, die tot doel had voortaan de godsdienstige gemoederen in Nederland te bedaren.

De volgende decennia stond de Katholieke emancipatie in Nederland in het teken van het streven zowel aan de Heilige Stoel als aan Nederland trouw te zijn; dit ultramontanisme en nationalisme wilde nog weleens botsen. In het laatste kwart van de 19de eeuw begon langzamerhand de verzuiling vorm te krijgen, en de Katholieke zuil was altijd het sterkst te onderscheiden geweest, vergeleken met de andere zuilen in Nederland. Vaak wordt de oprichting van de Katholieke Universiteit Nijmegen in 1923 gezien als de kroon op de Katholieke emancipatie. De Katholieke zuil begon echter na de Tweede Wereldoorlog steeds grotere scheuren te vertonen en stortte ten slotte eind jaren ‘60 – direct na het Tweede Vaticaans Concilie – in, evenals de andere, minder sterk afgebakende zuilen.

Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), dat streefde naar aggiornamento (het ‘bij de tijd brengen’ van het Geloof) en ressourcement (‘herbronning’), bracht belangrijke hervormingen voor Katholieken wereldwijd, vooral gericht op een actievere rol voor de leken. Het belang van de zogenaamde ‘oecumene’ en de wens voor meer eenheid binnen de christelijke ‘kerken’ nam toe, ook bij de protestanten. In 1961 werd de Groep van Achttien opgericht die streefde naar het ongedaan maken van verscheidene protestantse kerkscheuringen. De ontzuiling of deconfessionalisering, duidelijk zichtbaar vanaf begin jaren zestig en in de jaren zeventig op een hoogtepunt, leidde tot een ontkerkelijkingsgolf, die ook in de tot dan hechte Katholieke gemeenschap doorwerkte. Dit resulteerde in 2004 in het protestantse kamp tot de oprichting van de zogenaamde ‘Protestantse kerk’ in Nederland, een fusie tussen de Nederlandse Hervormde kerk, de Gereformeerde kerken in Nederland (verreweg het grootste gereformeerde kerkgenootschap) en de kleine Evangelisch-Lutherse kerk in het Koninkrijk der Nederlanden. Tegenwoordig is Nederland echter één van de meest ontkerkelijkte landen in Europa. Waar traditioneel de Katholieken en de protestanten de hoofdstromingen waren, zijn deze sterk afgenomen. Sinds 1989 is de onkerkelijkheid zelfs de hoofdstroming en in 2013 beschouwde 53 procent van de bevolking zich als niet behorend tot een godsdienstige groepering, terwijl 26 procent van de Nederlanders zich tot de Rooms-Katholieke Kerk rekenen, is nog maar naar schatting slechts 16 procent protestants en is de ‘Protestantse kerk’ in Nederland op vele plaatsen met uitsterven bedreigd.

Auteur: Mathieu Albert

Deel dit artikel:Share on Facebook20Share on Google+0Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn0Pin on Pinterest0Email this to someonePrint this page

Een reactie

  • Bart 10 juli 2017op13:26

    Ik denk dat die 16 procent protestanten in Nederland katholieker zijn dan die 26 procent zogenaamd katholieken. Het is te zeggen; de geloofsijver onder de protestanten is doorgaans veel groter dan die van de katholieken. Lauwheid viert vaak de boventoon. Zeer ergerniswekkend vaak.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *