13 mei: 100 jaar geleden verscheen O.L.Vrouw voor het eerst te Fatima

18 mei 2017

13 mei was het exact 100 jaar geleden dat De H. Maagd in Fatima voor het eerst verscheen aan Jacinta, Francisco en Lucia.

Het relaas van die eerste verschijning gaat als volgt:

“Jacinta was 7 jaar geworden, zo vertelt Lucia, toen schoon en zonnig, gelijk zoveel andere, de dag aanbrak van 13 mei 1917. Toevallig – als er in de plannen van de Voorzienigheid toeval bestaat – kozen wij die dag om onze kudde te weiden op het eigendom van mijn ouders, Cova da Iria genaamd, waar wij ook andere keren gaarne gingen. Nadat wij het, zoals altijd, bij de poel daarover eens geworden waren, moeste wij de heide overtrekken. Zodoende was de weg twee keer zo lang. Wij liepen langzaam, om de schapen langs de weg te laten grazen, en kwamen pas aan tegen de middag.”

De Cova da Iria was een cirkelvormig terrein, dat deed denken aan een reusachtige ‘kom’. Het had 500 m doorsnede en lag een kilometer of drie buiten het eigenlijke dorp. De ouders van Lucia bezaten hier een eigendom, beplant met steeneiken en olijfbomen. De schapen vonden er overvloedig voedsel. De kinderen namen hun korfje en aten met smaak wat moeder had meegegeven. Daarna baden ze het rozenhoedje. Het rozenhoedje werd in alle goede families van de streek elke dag gebeden. Was het misschien om deze godsvrucht te belonen dat O.L.Vrouw van de Rozenkrans hier wilde verschijnen?

Nauwelijks was hun gebed beëindigd, of zij begonnen te spelen. Deze keer gingen ze een huis bouwen! De meisjes moesten stenen, hout en aarde halen. Francisco zou wel architect zijn. Midden in die bedrijvigheid “zien wij”, verhaalt Lucia, “de straal van een licht: een bliksemflits dachten wij. En omdat wij gewoon waren alleen de bliksem te zien bij onweer, meenden wij dat een onweer opkwam.” De kinderen voelden zich niet op hun gemak. De zon stond stralend aan de hemel. Geen wolkje was te bespeuren. Niets dat een onweer voorspelde. Doch Lucia had meermalen horen zeggen dat een onweer in mei verschrikkelijk kan zijn. Zij besloot het zekerste te kiezen: “Komt achter de berg niet een onweer op? Het beste zal zijn dat we naar huis gaan.” Ze dreven de kudde samen – Francisco en Jacinta waren een beetje zenuwachtig – en daalden de helling af. Opeens wordt hun oog als verblind door een nieuwe lichtstraal. Zij kijken elkaar aan… Een onbestemde vrees maakt zich van hen meester. Zij verhaasten hun stap. Plotseling zien zij links van hen, boven een kleine steeneik van een meter hoogte, een lichtende gestalte.

“In het licht dat haar omgaf,” zegt Lucia, “zag men een Dame van volmaakte schoonheid. Wij waren er al zo dicht bij, dat wij enigzins binnen de lichtkrans stonden die haar omgaf.” De kleinen schrokken en wilden vluchten. Maar de verschijning keek minzaam op hen neer en stelde hen gerust: “Vreest niet. Ik doe u helemaal geen kwaad…” Nog nooit hadden zij zo’n welluidende stem gehoord. Als muziek uit de hemel. Zij kwamen naderbij. Hoe schoon was die Dame! Nooit hadden ze zulk een schone vrouw gezien. Ze scheen nog jong, hoogstens achttien jaar. Het gelaat schitterde als de zon, maar tegelijkertijd bezat het de liefelijkheid van de maan. Alles in haar was licht, licht! Haar blanke handen hield Zij op de borst gevouwen, alsof Zij bad. Aan de rechterhand zagen zij een rozenkrans, waarvan de parelen schitterden als edelstenen. Haar kleed was wit als sneeuw en reikte tot de voeten. Wit was ook de “manto” of mantel die hoofd en schouders bedekte en eveneens tot aan de voeten reikte. Die mantel scheen afgezet met borduursel van goud. De kinderen dronken met volle teugen van deze wonderbare schoonheid. Zij werden niet moe naar de Dame te zien. En de Dame zag naar hen. Met een uitdrukking van zo’n onzegbare goedheid dat hun hartje het scheen te besterven van zaligheid en geluk. Tegelijkertijd meenden zij echter in haar ogen een grote onmetelijke droefheid te lezen.

De zachte blik van de Dame gaf Lucia de moed haar aan te spreken. Iets in haar binnenste zei haar dat de Moeder van God vóór hen stond. Maar in haar bescheidenheid durfde zij het niet geloven. Ze waagde een vraag:
– “Van waar zijt U?”
– “Ik ben van de Hemel.”
– “En wat komt U hier doen?”
– “Ik kom u vragen zes maanden achter elkaar de 13de van de maand hier naartoe te komen op hetzelfde uur. In Oktober zal ik u zeggen wie Ik ben en wat Ik verlang.”
De klank van die stem betoverde weer de kleinen en maakte hen dronken van geluk. Zij hadden altijd van de hemel gehouden. Vooral na de verschijning van de Engel. Maar nu maakte zich een nieuwe heimwee van Lucia meester. Bijna hartstochtelijk vroeg zij:
– “U komt uit de hemel. En zal ik naar de hemel gaan?”
– “Ja!” was het plechtig antwoord.
– “En Jacinta?” – “Ook.”
– “En Francisco?”
De Verschijning vestigde de blik op de kleine. Zij zag hem aan met ogen waarin goedheid maar ook moederlijke strengheid te lezen stond: “Hij ook, maar eerst moet hij veel rozenhoedjes bidden.” Aangemoedigd door de vriendelijke antwoorden van de Dame, stelde Lucia een andere vraag. Korte tijd geleden waren twee meisjes uit het dorp gestorven, de ene van zestien jaar, de andere van rond de twintig. Waar bevonden zij zich thans? De Verschijning deelde mee, dat de jongste al in de Hemel was, maar de oudste verbleef in het Vagevuur, en moest er blijven tot het einde van de wereld. De Dame had ook iets aan de kinderen te vragen. Plechtig richtte zij zich tot de herdertjes:
– “Wilt ge u aan God aanbieden, om offers op te dragen en gaarne alle beproevingen te aanvaarden die Hij u wil overzenden, tot eerherstel voor de zonden waardoor de Goddelijke Majesteit beledigt wordt, om de bekering der zondaars te verkrijgen en tot eerherstel voor de godslasteringen en voor alle beledigingen aangedaan aan het Onbevlekt Hart van Maria?
– “Sim queremos! Ja dat willen wij,” antwoordde Lucia van ganser harte in aller naam.
– “Gij zult thans veel te lijden hebben, maar de genade van God zal u kracht geven.”

“Bij het uitspreken van de laatste woorden: “De genade van God zal u kracht geven””, schrijft Lucia later, “opende O.L.Vrouw voor de eerste keer haar handen. Zij deelde ons een licht mee, zo intiem, dat het doordrong tot ons binnenste, ja tot de bodem van onze ziel. Het deed onszelf aanschouwen in God – Hijzelf was dat licht – klaarder dan wanneer wij onszelf hadden gezien in de zuiverste spiegel. Dan, onder de drang van een inwendige impuls, die ons ook werd medegedeeld, vielen wij op de knieën, terwijl wij inwendig herhaalden: “O Allerheiligste Drie-eenheid, ik bemin U. Mijn God, ik bemin U in het H. Sacrament.“”

Een weinig later spoorde de Verschijning de kinderen aan, elke dag godvruchtig het rozenhoedje te bidden voor de vrede. Vervolgens steeg zij omhoog, zonder dat Haar voeten bewogen, tot Zij verdween in het licht van de zon. Overgelukkig zagen de kleinen elkaar aan. Het was nu heel anders als na de verschijning van de engel. “De verschijning van O.L.Vrouw, verklaart Lucia, hield ons gevangen in het bovennatuurlijke, maar op zachte wijze. In plaats van dat soort vernietiging onder het gewicht van de tegenwoordigheid Gods, die ons ook fysisch drukte, liet deze verschijning ons een vrede en een vreugde, welke ons niet belette onmiddellijk te praten over het geen was voorgevallen.”

Op een andere plaats schrijft zij: “Ik weet niet waarom: de verschijningen van O.L.Vrouw brachten in ons gans andere uitwerkselen teweeg (als die van de Engel). Dezelfde innerlijke vreugde, dezelfde vrede en geluk. Maar in plaats van die fysische druk een zeker gemak om zich uit te drukken: in plaats van die vernietiging in de tegenwoordigheid Gods een jubel van vreugde: in plaats van die moeite om te spreken, een zekere geestdrift om zijn gevoelens te uiten. Niettegenstaande dit alles voelde ik me gedrongen tot geheimhouding, vooral van zekere zaken. Wanneer men mij ondervroeg, hoorde ik een inwendige stem die mij zei wat ik moest antwoorden, waar – zonder aan de waarheid tekort te komen – moest gezwegen worden wat ik op dat ogenblik moest verbergen.”

Enthousiast deelden de herdertjes elkaar hun indrukken mee.
– “Wat heeft de Dame gezegd?” vroeg Francisco?
Verbaasd keken de twee meisjes hem aan:
– “Hebt ge dat niet gehoord?”
Het bleek dat Francisco de Dame wel gezien had, maar niet verstaan. Jacinta had haar gezien en verstaan, Lucia alleen had met haar gesproken. Ook bij de volgende verschijningen zou dat het geval zijn. Opeens denken zij aan de kudde. De schapen hebben zich verspreid – de verschijning had 10 minuten geduurd – en dwalen op vreemde grond, een veld beplant met grauwe erwten. De herdertjes schrikken. Zij zullen schadevergoeding moeten betalen. Vlug lopen ze naar de dieren, om ze terug te halen. Maar zie, nergens zien zij ook maar één plant die is afgevreten! O ja, nu herinneren zij zich weer wat onder de verschijning was gebeurd. Francisco- die minder in beslag genomen scheen door de Dame – had de kudde in de richting van de erwten zien gaan, en wilde de dieren onmiddellijk tot de orde roepen. Maar de Dame had aan Lucia gezegd:
-“Zeg aan Francisco, dat hij gerust kan zijn. De schapen doen geen kwaad.”
Nu bleek dat zij de waarheid had gesproken. Hoe goed was die Dame! Het moest zeker O.L.Vrouw zijn! Wie dacht nu nog aan het huisje, dat zij even te voren bouwden? Deze Dame was toch veel schoner dan de Engel. Vooral Jacinta was door haar schoonheid getroffen. Wel honderd keer riep zij uit:
-“Ai que Senhora tão bonita! – Och wat een schone Dame toch!”
Francisco van zijn kant, was verrukt door de belofte van de Dame, dat ook hij naar de hemel zou gaan. Hij klapte van vreugde in zijn handen en beloofde:
“O schone Lieve Vrouw, rozenhoedjes al ik bidden, zoveel Ge wilt.”
Nooit is een namiddag zo gauw voorbij geweest als thans. Reeds begint de zon onder te gaan. Zij keren terug naar huis. Voor zij ’t weten, hebben ze Aljurstrel weer bereikt. Lucia, met haar gezond verstand, vindt het ’t beste niemand iets van het gebeurde te zeggen. Volmondig stemmen haar neefje en nichtje daarmee in. Het is hun te lang, voordat zij diezelfde avond elkaar terugzien. Jacinta verstoort maar altijd weer het gesprek met de uitroep:
–“Och wat een wonderschone Dame! Wat was die Dame toch schoon!”
Lucia maakt zich ongerust:
– “Het is goed te zien! Gij gaat het nog iemand zeggen!”
– “Ik zeg niets, niets. Wees gerust.”

Bron: Cruxavespesunica.org

Auteur: Michaël Dekee

Michaël, 25, publiceert sinds 2014 op zijn blog cruxavespesunica.org en heeft in de loop der jaren een eigen apostolaat uitgebouwd, door o.a. het laten drukken van prenten en folders. Begin 2016 stampte hij het broederschap ‘Eerherstel aan het H. Sacrament’ (eerherstelheiligsacrament.org) uit de grond. En sinds september 2016 schrijft hij voor het Katholiek Forum.

Deel dit artikel:Share on Facebook9Share on Google+0Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn0Pin on Pinterest0Email this to someonePrint this page

Geen reacties

Regels voor reacties: 1. Haatreacties en reacties met vloek- en scheldwoorden zijn niet toegestaan. 2. "Trollen" is verboden. Dit forum is bedoeld als ontmoetingsplaats waar inhoudelijke reacties worden gegeven op een artikel, of waar meningen kunnen worden uitgewisseld, niet om te trollen. Bij herhaaldelijke overtredingen zal de gebruiker worden geblokkeerd. 3. Anonieme gebruikersnaam is toegelaten. 4. Katholiek Forum wil een beleefd, doch ongecensureerd platform aanbieden en is daarom volstrekt niet aansprakelijk voor de inhoud van de reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *